Op 9 juli 2014 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State twee verwijzingsuitspraken naar het Hof van Justitie van de Europese Unie gedaan. Eén van deze uitspraken heeft betrekking op de weigering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam om een exploitatievergunning te verlenen voor het verrichten van passagiersvervoer over water, oftewel voor het mogen varen met een rondvaartboot door de Amsterdamse grachten. De Afdeling stelt in deze uitspraak vragen over de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn. Bij deze uitspraak heb ik een annotatie geschreven die is gepubliceerd in AB 2015/13. In deze annotatie ga ik in op de Dienstenrichtlijn en artikel 56 VWEU (het vrij verkeer van diensten) bij de verlening van schaarse vergunningen.

In Amsterdam worden in beginsel alleen exploitatievergunningen verleend door middel van uitgiftenronden. De aanvraag van appellant is afgewezen omdat deze buiten zo’n uitgifteronde is aangevraagd. De laatste uitgifteronde had (ten tijde van de aanvraag) in 2006 plaatsgevonden waarbij de vergunningen voor onbepaalde tijd waren verleend. Volgens de appellant is dit ‘volumebeleid’ in strijd met de Dienstenrichtlijn.

De Afdeling stelt een aantal prejudiciële vragen over de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn. Er is immers sprake van een Nederlander die een aanvraag heeft ingediend ter verkrijging van een exploitatievergunning in Nederland om zijn diensten in Nederland te kunnen verrichten. In potentie kan het vergunningstelsel ook exploitanten uit andere lidstaten raken, maar in dit geschil hebben partijen uit andere lidstaten niet daadwerkelijk belangstelling geuit. Bovendien kan de Nederlandse aanvrager op zijn sloep burgers uit andere lidstaten van de Europese Unie vervoeren. De vraag is of sprake is van een ‘zuiver interne situatie’ en of in zo’n situatie getoetst moet worden aan de Dienstenrichtlijn.

De Afdeling stelt ook een prejudiciële vraag of op grond van de Dienstenrichtlijn een (schaarse) vergunning altijd voor bepaalde tijd verleend moet worden of dat bestuursorganen nog beschikken over beoordelingsruimte.

In mijn annotatie betoog ik het antwoord van het Hof van Justitie mijns inziens zou moeten luiden dat de Dienstenrichtlijn altijd van toepassing zou moeten zijn dan wel in ieder geval als sprake is van een potentieel grensoverschrijdend belang. Dat zou tot gevolg hebben dat de exploitatievergunning moet voldoen aan de Dienstenrichtlijn. Uit de richtlijn volgt mijns inziens dat schaarse vergunningen niet voor onbepaalde tijd verleend mogen worden. Het vergunningstelsel dat in deze uitspraak aan de orde is, voldoet daar niet aan.