De nieuwe wetgeving inzake overheidsopdrachten (die naar alle waarschijnlijkheid op 30 juni 2017 in werking zal treden) bevat een belangrijke nieuwigheid met betrekking tot de selectie van kandidaten (in de niet-openbare procedures) en inschrijvers (in de openbare procedures). Het gaat hier om de omzetting van artikel 57 van de richtlijn 2014/24/EU.

Desondanks het feit dat een kandidaat of inschrijver zich in een van de verplichte of facultatieve uitsluitingsgronden bevindt, zal toch kunnen bewijzen dat hij voldoende maatregelen heeft genomen die zijn betrouwbaarheid aantonen. Als de aanbestedende overheid dat bewijs toereikend acht, dan zal de betrokken kandidaat of inschrijver niet worden uitgesloten van de plaatsingsprocedure. Deze nieuwe mogelijkheid geldt echter niet voor uitsluitingsgronden die betrekking hebben op sociale en fiscale schulden.

De wet vermeldt de volgende "bewijsmiddelen", waarbij de kandidaat of inschrijver:

  • op eigen initiatief aantoont dat hij de eventuele schade als gevolg van zijn strafrechtelijke inbreuken of fouten heeft vergoed (of dit heeft toegezegd);
  • de feiten en omstandigheden volledig opheldert door actief mee te werken met de onderzoekende autoriteiten; en
  • concrete technische, organisatorische en personeelsmaatregelen neemt om verdere strafrechtelijke inbreuken of fouten te voorkomen.

Wanneer de aanbestedende overheid deze maatregelen beoordeelt, zal zij rekening moeten houden met de ernst en de bijzondere omstandigheden van de strafrechtelijke inbreuken of de fout. De aanbestedende overheid zal haar beslissing moeten motiveren, en dit zowel materieel als formeel.

Een kandidaat of inschrijver mag tenslotte geen gebruik maken van deze nieuwe mogelijkheid indien hij bij een rechterlijke beslissing met kracht van gewijsde is uitgesloten van deelneming aan plaatsingsprocedures (of procedures voor de gunning van concessies), en dit gedurende de duur van die uitsluiting en in de lidstaten waar de beslissing van kracht is.