CIVIEL

Causaal verband en schadebegroting

Rixtel handelt onrechtmatig jegens Hofstad door het 'leeghalen' van De Provinciale, in het bijzonder door het zich laten overdragen van een assurantieportefeuille zonder betaling van de koopprijs. Het bestaan en de omvang van de schade dient dan te worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen de werkelijke situatie en de hypothetische situatie waarin deze onrechtmatige gedraging achterwege zou zijn gebleven. Voor de beoordeling van de hypothetische situatie is niet alleen van belang of De Provinciale in die situatie voldoende winst had kunnen genereren om de vordering van Hofstad te voldoen maar ook, in het geval De Provinciale daartoe niet in staat zou zijn geweest, in hoeverre Hofstad verhaal zou hebben kunnen nemen op de assurantieportefeuille, of, indien de koopsom daarvan wel zou zijn voldaan, op die koopsom.

ECLI:NL:HR:2017:1053

CIVIEL

Arubaans procesrecht: eisen betekening exploot aan partij met woonplaats buiten Aruba

Volgens art. 5 sub 8 Arubaans Rv kan een exploot bestemd voor niet in Aruba gevestigde partijen gedaan worden aan de Directie Wetgeving en Juridische Zaken, die de oproeping voor gezien tekent en er zoveel mogelijk zorg voor draagt dat het stuk de wederpartij ten spoedigste bereikt. De HR oordeelt dat wanneer het een Nederlandse partij betreft, geen verdragsbepalingen van toepassing zijn. Volgens de HR moet het hof na deze betekeningswijze in verband met art. 6 EVRM de zaak aanhouden en ambtshalve onderzoeken wat de Directie of de deurwaarder heeft ondernomen om de stukken de wederpartij te laten bereiken. Als dat onvoldoende is, moet de rechter gelegenheid geven voor hernieuwde betekening.

ECLI:NL:HR:2017:1059

CIVIEL

Verhouding bewaarplicht art. 52 lid 4 AWR met inlichtingenplicht art. 47 AWR

Als de Belastingdienst een inlichtingenverzoek ex art. 47 AWR doet, kan de belastingplichtige zich in het algemeen niet ter afwering daarvan op het standpunt stellen dat de administratieve bewaarplichttermijn van art. 52 lid 4 AWR (zeven jaar) is verstreken.

ECLI:NL:HR:2017:1046

STRAF

Valsheid in geschrifte wegens niet vermelden pandrecht in jaarstukken

Verdachte werd veroordeeld voor valsheid in geschrifte ex art. 225 Sr bij de verkoop van de aandelen in zijn B.V. door jaarstukken te overleggen waarin een op zaken van de B.V. gevestigd pandrecht niet werd vermeld. Uit de verklaring van verdachte dat hij de waarde van het bedrijf zo positief mogelijk wilde presenteren heeft het hof afgeleid dat verdachte zich door het niet opnemen van het pandrecht in een toelichting bij de jaarstukken willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de jaarstukken vals zouden zijn. Het hof is er volgens de HR van uitgegaan dat verdachte zowel met het bestaan van het pandrecht als met het niet vermelden ervan bekend was. Het oordeel dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften die bestemd waren om tot bewijs te dienen van de waarde van de aandelen van de vennootschap geeft volgens de HR geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

ECLI:NL:HR:2017:1029