Voorstel om dividendbelasting in te houden bij houdstercoöperaties zorgt voor gelijkschakeling met de B.V. en de N.V.

Op 20 september jl. is door de Koning de Troonrede voorgedragen. Na afloop van deze voordracht heeft Minister Dijsselbloem van Financiën de Miljoenennota en de begrotingen aan de Tweede Kamer overhandigd. In dat kader heeft ook de Staatssecretaris van Financiën Eric Wiebes bij brief d.d. 20 september 2016 een nadere toelichting gegeven op de voorgestelde gelijkschakeling voor de dividendbelasting van houderstercoöperaties met B.V.’s en N.V.’s.

Grondslag voor verschil in inhoudingsplicht tussen kapitaalvennootschappen en coöperaties
Reeds eerder heeft het kabinet in zijn brief van 27 mei 2016 aangegeven dat er naar zijn mening geen grond bestaat voor het verschil in inhoudingsplicht voor de dividendbelasting tussen N.V.’s en B.V.’s enerzijds en coöperaties die niet voor hun oorspronkelijke doel worden benut anderzijds.

N.V.’s en B.V.’s zijn in beginsel belastingplichtig voor de dividendbelasting terwijl een coöperatie, ook als die niet voor haar oorspronkelijke doel wordt benut maar slechts als houdstercoöperatie in internationale structuren wordt gebruikt, al bij voorbaat uitgezonderd is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit verschil wil Staatssecretaris Wiebes opheffen en daartoe heeft hij bij brief d.d. 20 september 2016 een wetsvoorstel aangekondigd op basis waarvan zogeheten houdstercoöperaties inhoudingsplichtig worden voor de dividendbelasting.

De internationale coöperatie
De coöperatie in internationaal verband heeft een aanzienlijke vlucht genomen en heeft twee verschijningsvormen. Allereerst kent men de coöperatie die uitsluitend opereert als substance-arme (tussen)houdster. Daarnaast kent men de coöperatie die niet uitsluitend als houdster optreedt maar ook nog andere functies uitoefent, zoals hoofdkantoorfuncties of andere bedrijfsmatige activiteiten. Voor wat betreft de aanpassing van de dividendbelasting gaat het om coöperaties die in internationale structuren worden gebruikt en die zich bezighouden met het houden van deelnemingen, het beleggen van vermogen en het financieren van verbonden lichamen.

Artikel 2:53 BW geeft een coöperatie de mogelijkheid om niet zelf het bedrijf ten behoeve van haar leden uit te oefenen. Men kan er immers voor opteren om een deel van het bedrijf door bijvoorbeeld een dochtervennootschap te laten uitoefenen. De coöperatie blijkt een aantrekkelijke rechtsvorm in internationale structuren omdat deze rechtsvorm in beginsel niet inhoudingsplichtig is voor de dividendbelasting. Staatssecretaris Wiebes stelt nu voor om de houdstercoöperatie inhoudingsplichtig te maken voor de dividendbelasting door middel van fiscale gelijkstelling van de houdstercoöperatie met een kapitaalvennootschap zoals de N.V. of de B.V. Een dergelijke inhoudingsplicht ontstaat evenwel slechts wanneer het lid een belang van ten minste 5% in de houdstercoöperatie houdt.

Termijn wetsvoorstel
Met het voornoemde voorstel kan dividendbelasting worden ingehouden bij coöperaties waar dat nu niet mogelijk is, maar waar dat naar het oordeel van Staatssecretaris Wiebes wel gewenst is. Het voorgenomen voorstel zorgt voor een ‘level playing field’ ter zake de heffing van Nederlandse dividendbelasting. De staatssecretaris geeft aan dat na deze brief een internetconsultatie volgt en vervolgens een wetsvoorstel. Het streven is om dit wetsvoorstel uiterlijk per 1 januari 2018 in werking te laten treden.