Openbaarmaking van stukken op grond van de Wet openbaarheid bestuur (“Wob”) blijft achterwege indien een of meer van de uitzonderingsgronden genoemd in de artikelen 10 en 11 van de Wob van toepassing zijn. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 december 2015 volgt dat als een bestuursorgaan in zijn beslissing op bezwaar niet de uitzonderingsgronden noemt, maar volstaat met instandhouding van het primaire weigeringsbesluit, de Wob-verzoeker in beroep alsnog gronden tegen de uitzonderingsgronden kan aanvoeren ook als hij dat niet binnen de beroepstermijn heeft gedaan.

Feiten

Appellant heeft bij het bestuur van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) een Wob-verzoek ingediend om een beoordelingsverslag van een gerechtsdeurwaarderskantoor te verkrijgen. Bij besluit van 13 december 2013 heeft het bestuur dit verzoek afgewezen. Aan deze afwijzing heeft het bestuur de uitzonderingsgronden opgenomen in artikel 10 lid 2 onder e (eerbiediging persoonlijke levenssfeer) en g (voorkomen onevenredige bevoordeling of benadeling betrokken (rechts)personen), alsmede artikel 11 lid 1 (intern beraad) Wob ten grondslag gelegd.

Bezwaar en beroep

Appellant kan zich niet verenigen met de afwijzing van zijn verzoek en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In dit bezwaar heeft appellant geen gronden aangevoerd tegen toepassing van artikel 10 lid 2 onder e Wob, maar enkel tegen de toepassing van de overige uitzonderingsgronden. Het bestuur is op deze gronden in haar beslissing op bezwaar (d.d. 7 maart 2014) gemotiveerd ingegaan en heeft het bezwaar op grond van die motivering ongegrond verklaard met de opmerking dat het besluit van 13 december 2013 niet wordt herroepen.

Appellant heeft tegen deze beslissing op bezwaar beroep ingesteld, welk beroep bij uitspraak van 16 december 2014 ongegrond is verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het ingestelde beroep al ongegrond omdat appellant geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen het standpunt van het bestuur dat de uitzonderingsgrond van artikel 10 lid 2 onder e Wob zich voordoet en deze uitzonderingsgrond het besluit van 7 maart 2014 zelfstandig kan dragen.

Hoger beroep

In hoger beroep bestrijdt appellant het oordeel van de rechtbank dat zijn beroep ongegrond is vanwege het enkele feit dat hij geen grond heeft aangevoerd tegen de toepassing van artikel 10 lid 2 onder e Wob. Hij voert daartoe aan dat het bestuur deze uitzonderingsgrond, anders dan aan het besluit van 13 december 2013, niet aan het besluit van 7 maart 2014 ten grondslag heeft gelegd. Voorts voert hij aan dat hij ter zitting bij de rechtbank kenbaar heeft gemaakt dat hij de toepassing van artikel 10 lid 2 onder e Wob door het bestuur bestrijdt. Tevens voert appellant in zijn hogerberoepschrift alsnog gronden aan tegen de toepassing door het bestuur van artikel 10 lid 2 onder e Wob.

Oordeel Afdeling

De Afdeling haalt in haar uitspraak het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank aan. Daaruit blijkt dat appellant desgevraagd te kennen heeft gegeven de uitzonderingsgrond uit artikel 10 lid 2 onder e Wob alsnog te bestrijden, waarna de rechtbank hem heeft laten weten dat zulks niet meer mogelijk is, omdat hij daarvoor te laat is. In het midden wordt gelaten waarom appellant te laat zou zijn. Of de rechtbank ervan uitgaat dat de goede procesorde in het geding is of dat van de juistheid van de toepassing van de uitzonderingsgrond moet worden uitgegaan omdat deze in bezwaar niet is bestreden (zie o.a. ABRvS 5 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6499, r.o. 3.1), is niet geëxpliciteerd. Het bestuur heeft blijkens het proces-verbaal in ieder geval ter zitting te kennen gegeven dat het met het besluit van 7 maart 2014 niet heeft beoogd de toepassing van deze uitzonderingsgrond te laten vallen.

Gezien deze omstandigheden en het feit dat uit de motivering van het bestuur niet blijkt dat het de uitzonderingsgrond van artikel 10 lid 2 onder e Wob heeft laten vallen, is de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling niet buiten de omvang van het geding getreden door te oordelen dat de uitzonderingsgrond in het geding is. Vervolgens stelt de Afdeling echter: “Echter, nu het bestuur in dat besluit niet expliciet tot uitdrukking heeft gebracht dat het de toepassing van deze uitzonderingsgrond handhaaft, heeft de rechtbank [appellant] ten onrechte niet ter zitting in de gelegenheid gesteld om alsnog gronden van beroep tegen de toepassing daarvan aan te voeren.” Door het niet expliciet noemen van de gronden die ten grondslag liggen aan de beslissing op bezwaar, kon het appellant kortom niet verweten worden dat het pas ter zitting beroepsgronden tegen deze uitzonderingsgrond aanvoerde. Het betoog van appellant slaagt daarom en de Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond.

Lessen voor de praktijk

Uit deze uitspraak volgt dat het aanbeveling verdient dat een bestuursorganen in zijn beslissing op bezwaar strekkende tot handhaving van de afwijzing van een Wob-verzoek expliciet vermeldt op grond van welke uitzonderingsgronden het zijn besluit handhaaft. Alleen dan kan een eiser/appellant worden tegengeworpen dat hij niet tijdig is opgekomen tegen bepaalde uitzonderingsgronden.

Gegevens uitspraak

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 december 2015

Zaaknummer: 201500889/1/A3

ECLI:NL:RVS:2015:4042