Op 2 juni 2016 jl. is een onafhankelijke Geschilleninstantie Zorgcontractering (Geschilleninstantie) in het leven geroepen. Deze geschilleninstantie is een nieuw alternatief voor een procedure bij de civiele rechter als het gaat om beslechting van geschillen tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars op het terrein van zorgcontractering (precontracueel en contractueel). De introductie van de Geschilleninstantie maakt deel uit van een pakket aan wijzigingen waarmee minister Schippers een kwaliteitsverbetering in de zorg beoogt te bewerkstelligen.

De uitvoering van de Geschilleninstantie is ondergebracht bij het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI). Zowel zorgaanbieders en zorgverzekeraars als branche- en beroepsorganisaties kunnen een geschil aan de Geschilleninstantie voorleggen. Er is daarbij keuze uit mediation, bindend advies of arbitrage.

Doel van deze nieuwe vorm van geschilbeslechting is dat geschillen snel, laagdrempelig en effectief kunnen worden opgelost.

Onder de reikwijdte van de nieuwe regeling vallen zowel precontractuele als contractuele geschillen tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders. Voorlopig behandelt de Geschilleninstantie enkel geschillen die betrekking hebben op de zorgverzekeringswet (Zvw). Geschillen die zien op de contractering van aanvullende zorg kunnen ook worden voorgelegd aan de Geschilleninstantie indien de aanvullende zorg samen met de Zvw-zorg in één overeenkomst is gecontracteerd. Per 1 april 2017 wordt dit uitgebreid en kunnen geschillen die zien op de contractering in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz) ook voorgelegd worden aan de Geschilleninstantie. Opvallend is dat de Geschilleninstantie volgens de Minister een laagdrempelig alternatief moet worden voor de civiele overheidsrechter. Arbitrage en bindend advies hebben echter als belangrijk kenmerk dat partijen naast een administratiefee ook voor de bindend adviseur en arbiter (op uurbasis) moeten betalen. De vraag is of de doorgaans financieel (veel) zwaardere belasting voor zorgaanbieders van bindend advies of arbitrage niet juist de laagdrempeligheid in de weg staat.

Zorgverzekeraars hebben op dit punt wel een interessante stap gezet door financieel een bijdrage te doen aan kleine zorgaanbieders die hen voor de Geschilleninstantie dagen. Voor die groep kleine zorgaanbieders (met een omzet van < 325.000,- of met maximaal 10 beroepsbeoefenaren) worden de kosten van een procedure aan de hand van vastgelegde kostenstaffels namelijk gedeeltelijk door zorgverzekeraars betaald. In feite betaalt de premiebetaler daarmee mee aan de kosten van geschillenbeslechting, waar ook een goedkopere overheidsrechter beschikbaar is. De over twee jaar geplande evaluatie zal te zijner tijd inzicht geven of dit een waardevolle investering is gebleken voor het functioneren van de zorginkoop.