Nu de komst van windturbines op land vol in de aandacht staat, komen er ook meer uitspraken over verzoeken om de geluidsbelasting van windturbines te beperken. Het betreft dan veelal een verzoek tot het opleggen van een maatwerkvoorschrift vanwege bijzondere lokale omstandigheden. De afwijzing van een dergelijk verzoek in Hollands Kroon is recent door de Afdeling bestuursrechtspraak onderschreven.

1.                  Wat vooraf ging

Voor windturbines en –parken bevat het Activiteitenbesluit milieubeheer (“Activiteitenbesluit“) geluidsnormen van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen en op de grens van gevoelige terreinen (zie art. 3.14a, lid 1 Activiteitenbesluit). Het bevoegd gezag, zijnde het college van burgemeester en wethouders, kan in afwijking van deze geluidsnormen bij maatwerkvoorschrift in verband met bijzondere lokale omstandigheden normen met een andere waarde vaststellen(zie art. 3.14a, lid 3 Activiteitenbesluit).

Deze bevoegdheid heeft al tot enkele uitspraken geleid. Het onderwerp van discussie betreft dan vooral het al dan niet aanwezig zijn van bijzondere lokale omstandigheden. Omwonenden van windturbines  en –parken  menen veelal dat hiervan sprake is bij een door hen als rustig buitengebied ervaren omgeving, veelal met agrarische bestemmingen.

De wetgever is niet duidelijk geweest over hetgeen moet worden verstaan onder bijzondere lokale omstandigheden. In ieder geval bevat het Activiteitenbesluit zelf geen nadere invulling van deze term. Uit de wetsgeschiedenis zijn nog wel enige handreikingen te halen. Door de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu was bijvoorbeeld in een algemeen overleg in reactie op vragen naar voren gebracht dat voor een ‘generiek platteland’ deze bevoegdheid niet naar willekeur van stal kan worden gehaald.

2.                  De uitspraak

Bij uitspraak van 10 december 2014 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak (“Afdeling”) geoordeeld over de afwijzing door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon van een verzoek tot het vaststellen van een maatwerkvoorschrift vanwege bijzondere lokale omstandigheden.

De appellant bracht bij de Afdeling naar voren dat artikel 3.14a, lid 3 Activiteitenbesluit geen reële mogelijkheid bood om een maatwerkvoorschrift op te leggen. Ter onderbouwing van dit standpunt verwees de appellant naar enkele eerdere uitspraken waarin geen maatwerkvoorschriften vanwege bijzondere lokale omstandigheden werden opgelegd. De Afdeling ging hier niet in mee.  De Afdeling bevestigde wederom dat het opleggen van een maatwerkvoorschrift een discretionaire bevoegdheid is en geen verplichting. De Afdeling zag in de door appellant aangehaalde uitspraken waarin geen toepassing was gegeven van de maatwerkbevoegdheid geen reden om aan te nemen dat nooit van deze bevoegdheid gebruik gemaakt kon worden. Daarbij wees de Afdeling expliciet op haar eerdere uitspraak, waarin werd aanvaard dat in een maatwerkvoorschrift andere waarden zouden worden opgelegd vanwege een laag referentieniveau van het omgevingsgeluid.

Vervolgens kwam de vraag naar voren of aan de afwijzing door het college van Hollands Kroon een goede belangenafweging ten grondslag lag. Het college had bij de afwijzing van het verzoek vastgesteld dat in de omgeving van de windturbine geen bijzondere omstandigheden bestonden. Het zijn van een feitelijk stil gebied achtte het college in ieder geval niet een zodanige omstandigheid. In de afwijzing van het verzoek had het college betrokken dat de windturbine niet in een provinciaal stiltegebied stond. Verder was het gebied bestemd voor agrarische doeleinden. Ter zitting lichtte het college nog toe dat de feitelijke situatie ter plaatse was onderzocht en dat het gebied rondom de windturbine moest worden aangemerkt als een agrarisch productiegebied. Het college verwachtte dat in de toekomst het omgevingsgeluid vanwege de agrarische bedrijvigheid alleen maar zou toenemen. Wel onderkende het college nog dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid in het gebied laag was, maar achtte dat niet ongebruikelijk in buitengebieden. Het lage referentieniveau vormde dan ook geen bijzondere omstandigheid. Deze onderbouwing voor de afwijzing aanvaarde de Afdeling.

Deze uitspraak is in lijn met de eerdere uitspraken van de Afdeling. Hieruit kan worden geconcludeerd dat bevoegde gezagen terecht niet snel aanleiding zien om bijzondere lokale omstandigheden aan te nemen.