Goed nieuws voor het Nederlandse voetbal. Sinds de fiscus het standpunt innam dat de belastingheffing excessieve beloning(sbestanddelen), ook wel de Bos-taks genoemd, ook voor vertrekkende voetballers geldt, heeft de KNVB samen met Ajax, PSV en Feyenoord hiertegen geprotesteerd. In haar recente uitspraak inzake de transfer van Graziano Pellè van Feyenoord naar Southampton, heeft de rechtbank Den Haag Feyenoord in het gelijk gesteld (Rb Den Haag 30 maart 2017).

De Bos-taks

De Bos-taks is ingevoerd om excessieve vertrekvergoedingen in het bedrijfsleven tegen te gaan, door dergelijke vertrekvergoedingen extra te belasten. Deze belastingheffing is vastgelegd in artikel 32bb Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) en geldt uitsluitend voor werknemers die meer verdienen dan € 540.000 (2017) en die bij beëindiging van het dienstverband een vergoeding ontvangen die hoger is dan hun loon. Over dit excessieve deel van de vertrekvergoeding van de werknemer wordt een belasting van 75% geheven, welke door werkgever is verschuldigd. Deze belastingheffing voor de werkgever bestaat in dat geval naast de heffing van 52% loonbelasting die de voetballer verschuldigd is over zijn vertrekvergoeding.

Vergoeding Graziano Pellè

Vooral bij de drie grote clubs Ajax, PSV, en Feyenoord komt het regelmatig voor dat spelers die een transfer maken en als beloning een percentage van het transferbedrag krijgen. Dit speelde ook bij de transfer van Graziano Pellè van Feyenoord naar Southampton in juli 2014. Pellè kreeg bij deze transfer - conform zijn contract - 10% van de transfersom uitbetaald. De transfersom was naar verluid € 10 miljoen, waardoor Pelle kon rekenen op een vergoeding van € 1 miljoen. (Feyenoord wint rechtszaak van Belastingdienst over naheffing Pellè) De (Inspecteur van de) Belastingdienst stelde zich op het standpunt dat deze betaling onder het bereik van artikel 32bb Wet LB viel en dat Feyenoord derhalve over het excessieve deel van de vertrekvergoeding van Pellè 75% belasting diende te betalen. In juli 2015 heeft de Belastingdienst derhalve een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd aan Feyenoord.

Strijdigheid met het EVRM

Volgens Feyenoord is artikel 32bb Wet LB in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het recht op ongestoord genot van eigendom is vastgelegd. Een inbeuk op dit artikel is volgens Feyenoord kortgezegd alleen toegestaan wanneer deze inbreuk gerechtvaardigd en evenredig is in het kader van het algemeen belang. Daarnaast mag er geen sprake zijn van een individuele buitensporige last. Feyenoord stelde daarom bezwaar in tegen de naheffingsaanslag loonheffingen en ging – nadat dit bezwaar werd afgewezen – in beroep bij de rechtbank Den Haag.

Feyenoord betoogde voor de rechtbank dat de Bos-taks voor voetbalclubs niet de benodigde rechtvaardiging in het kader van het algemeen belang heeft. Dit omdat de gedragsverandering die de wetgever wilde bewerkstelligen door de invoer van de Bos-taks, zijnde het ontmoedigen van het toekennen van enorme vertrekvergoedingen, niet teweeg kan worden gebracht in het profvoetbal. De transfersom bij de overgang van spelers is namelijk een essentieel deel van het verdienmodel van de voetbalclubs en zorgt er onder meer voor dat de continuïteit van de club wordt gewaarborgd. Van een transfersom zal alleen sprake zijn wanneer een speler voor het einde van zijn spelerscontract van club verandert. Het verkrijgen van de medewerking van spelers aan transfers wordt in de sector bereikt door hen een aandeel in de transfersom in het vooruitzicht te stellen, althans de spelers onderhandelen een dergelijk aandeel meestal uit. Volgens Feyenoord kan de Bos-taks niet tot de beoogde gedragsverandering leiden, gelet op het grote economische belang van voetbalclubs bij de transfers van spelers. Bij de invoering van de Bos-taks heeft de wetgever derhalve ten onrechte de sportwereld als ‘collateral damage’ geaccepteerd.

Uitspraak rechtbank

De rechtbank overweegt dat een inbreuk artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM alleen is toegestaan indien die inbreuk (a) rechtsgeldig tot stand is gekomen, (b) in het algemeen belang is, (c) de wijze waarop het algemeen belang is nagestreefd proportioneel is en (d) er tevens geen sprake is van een individuele buitensporige last. De rechtbank gaat vervolgens mee in het betoog van Feyenoord en oordeelt dat artikel 32bb Wet LB een categorie belastingplichtigen treft – de betaald voetbalsector – die evident niet tot de doelgroep van deze heffing behoorde. Volgens de parlementaire geschiedenis is de heffing bedoeld om ongewenste excessieve vertrekvergoedingen in de top van het bedrijfsleven tegen te gaan. Dat voetballers door de ruime formulering van het artikel en het ontbreken van een disculpatiemogelijkheid ook geraakt worden, is hierbij door de wetgever op de koop toe genomen. Volgens de rechtbank is daarbij tevens relevant dat transfervergoedingen een wezenlijk onderdeel zijn van het verdienmodel in de Europese betaald voetbalsector en dat de concurrentiepositie van Nederlandse clubs door de Bos-taks mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Volgens de rechtbank voldoet artikel 32bb LB daardoor in het geval van profvoetballers niet aan het proportionaliteitsbeginsel en is toepassing van dit artikel op het profvoetbal daarmee in strijd met het EVRM.

In de praktijk

Goed nieuws voor de betaald voetbalsector dus. Het oordeel van de rechtbank dat de Bos-taks voor de betaald voetbalsector in strijd is met het EVRM is niet alleen van belang voor Feyenoord, maar voor de gehele sector. Met de uitspraak in de hand hebben de voetbalclubs voorlopig alle belang om in bezwaar (en beroep) te gaan tegen de toepassing van de Bos-taks bij een vertrekvergoeding van een speler: anders wordt de belastingheffing immers onherroepelijk en kan deze later niet meer van de Belastingdienst worden teruggevorderd.

De Belastingdienst heeft echter nog tot 11 mei a.s. om tegen de uitspraak beroep aan te tekenen, hetgeen ook in de lijn der verwachtingen ligt gelet op het ontbreken van een duidelijk en onderbouwd standpunt van de wetgever. In onze ogen valt een andersluidende uitspraak in hoger beroep echter niet snel te verwachten, gezien het feit dat voornamelijk het transfersysteem en de waarde van profvoetbalspelers binnen de betaald voetbalsector uniek is in vergelijking met andere sectoren en het reguliere bedrijfsleven. Wij houden u op de hoogte van de ontwikkelingen in deze zaak.