Het hof Amsterdam heeft in het voorjaar van 2016 een uitspraak gedaan over het ontstaansmoment van vorderingen van zorgaanbieders op patiënten en/of zorgverzekeraars. Het ontstaansmoment van een vordering is relevant om in geval van een faillissement van de pandgever te kunnen bepalen of een vordering (reeds) bestond – en dus geldig kan zijn verpand – of dat een vordering nog niet bestond – en dus niet geldig kan zijn verpand.

Feitencomplex

Het feitencomplex van de zaak die aan het hof was voorgelegd is – kort samengevat – als volgt. Better Life B.V. (hierna Better Life) was een zorgaanbieder die behandeltrajecten (van (jong) volwassenen en kinderen) aanbood die bestonden uit meerdere consulten. Better Life werd gefinancierd door Famed B.V. (hierna Famed) en Better Life had ter zekerheid aan Famed een (geldig) pandrecht verschaft over al haar huidige en toekomstige vorderingen die zij had of zou verkrijgen op zorgverzekeraars in verband met de consulten die zij verrichte.

In deze zaak laten zich verschillende overeenkomsten onderscheiden. Naast de financieringsovereenkomst tussen Famed en Better Life zijn er de behandelovereenkomsten tussen Better Life en haar patiënten (hierna de Behandelovereenkomsten) en de overeenkomsten tussen Better Life en de verschillende zorgverzekeraars waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaronder Better Life haar vergoeding voor de Behandelovereenkomsten, in plaats van bij de patiënt, direct bij de zorgverzekeraars kan declareren (hierna de Declaratieovereenkomsten)

Voorts was op de verhouding tussen Better Life en de zorgaanbieders de (inmiddels vervallen) Regeling Declaratiebepalingen DBC’s in de curatieve GGZ (hierna de Regeling Declaratiebepalingen) van toepassing. Zoals gezegd bestonden de behandeltrajecten van Better Life uit meerdere consulten. Op basis van de Regeling Declaratiebepalingen kon Better Life haar declaraties pas na afronding van het volledige behandeltraject indienen bij de zorgverzekeraars.

Better Life ging failliet en op dat moment was een substantieel aantal behandeltrajecten nog niet afgerond. De vraag die voorlag was of voor Better Life vorderingen waren ontstaan op de zorgverzekeraars ten aanzien van behandelingen die zij in die trajecten al wel had uitgevoerd maar nog niet had gedeclareerd in overeenstemming met de Declaratieovereenkomsten en de Regeling Declaratiebepalingen (hierna het OHW).

De discussie bij de rechtbank en het hof concentreert zich rond deze vraag, waarbij het verschil tussen de opeisbaarheid en het ontstaansmoment van vorderingen een belangrijke rol speelt.

Rechtbank

Volgens de uitspraak van de rechtbank Amsterdam ontstaan de vorderingen van Better Life op de verschillende zorgverzekeraars in drie fasen. De eerste fase is het sluiten van een Declaratieovereenkomst. De tweede is het sluiten van een Behandelovereenkomst met een patiënt. Volgens de rechtbank ligt de grondslag van de betalingsverplichting van zorgverzekeraars aan Better Life in deze Behandelovereenkomsten. De derde fase is het daadwerkelijk behandelen van een patiënt. Na ieder consult ontstaat, aldus de rechtbank, een vordering op de zorgverzekeraar.

De rechtbank oordeelde aldus dat ten aanzien van de Behandelovereenkomsten die vóór faillissement gesloten waren en waarvoor behandelingen voór faillissement waren uitgevoerd, vorderingen waren ontstaan op de zorgverzekeraars. Die vorderingen waren op grond van de Declaratieovereenkomsten wellicht nog niet eerder opeisbaar dan na afronding van het behandeltraject, maar desalniettemin bestonden de vorderingen wel reeds en konden zij rechtsgeldig zijn verpand aan Famed.

Hof

Daar denkt het hof Amsterdam anders over. Hij sluit voor het ontstaansmoment van de vorderingen van Better Life niet aan bij de Behandelovereenkomsten, maar bij de Declaratieovereenkomsten. Volgens haar ontstaan de vorderingen van Better Life op de zorgverzekeraars zodra aan de voorwaarden van de Declaratieovereenkomst en de Regeling Declaratiebepalingen was voldaan. Zolang dat niet het geval was, aldus het hof, kon er door Better Life niet worden gedeclareerd en had zij dus ook geen vorderingen die konden worden verpand.

Hoge Raad?

Een probleem van feitelijke aard dat zich voordeed in onderhavige zaak is dat over het ontstaansmoment van de vorderingen van Better Life niets was afgesproken. Omdat hier niets over was afgesproken, komt het aan op de uitleg van de verschillende overeenkomsten óf, en zo ja, wanneer de vorderingen van Better Life ontstonden.

Gezien het belang van deze zaak voor de financierbaarheid van zorgaanbieders, verwachten wij dat deze zaak aan de Hoge Raad zal worden voorgelegd. Totdat de Hoge Raad zich over deze kwestie uitlaat doen financiers in de zorg er verstandig aan om van hun cliënten te eisen dat zij duidelijke afspraken maken met patiënten en zorgverzekeraars over zowel het ontstaansmoment als de opeisbaarheid van vorderingen.