Sinds een wetswijziging die per 29 november 2014 in werking trad (kortgezegd de Reparatiewet BZK 2014 Stb. 2014, 458) worden stedenbouwkundige voorschriften, waaronder regels over de benodigde parkeerruimte, niet meer in de bouwverordening neergelegd. Als een gemeenteraad het stellen van dergelijke regels nodig acht voor een goede ruimtelijke ordening, dient het de benodigde parkeerruimte voortaan in het bestemmingsplan te regelen. Een uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1580) bevestigt dat bestemmingsplannen die na 29 november 2014 zijn of worden vastgesteld, niet om deze wetswijziging heen kunnen. Gemeenten moeten hier dus op letten bij het vaststellen van bestemmingsplannen.

Uitspraak

De raad van de gemeente Halderberge had op 11 december 2014 het bestemmingsplan “Oud Gastel Noord” vastgesteld voor 150 nieuwbouwwoningen. De raad had voor de gronden met de bestemming “Wonen” beoogd dezelfde parkeernorm te hanteren van 2.1 parkeerplaatsen per woning als voor de bestemming “Woongebied – Uit te werken”. Voor die laatste bestemming had de raad een planregel opgenomen, maar voor de bestemming “Wonen” echter niet, omdat de raad ervan uit ging dat de parkeernorm kon worden afgedwongen op grond van de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening.

De Afdeling vernietigt het bestemmingsplan voor wat betreft dit onderdeel en overweegt dat de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening met de bestemmingsplanwijziging hun gelding hebben verloren vanwege de Reparatiewet BZK 2014. Het bestemmingsplan is daarom in strijd met de te betrachten zorgvuldigheid. De Afdeling laat het hier overigens niet bij en neemt dezelfde parkeernorm van 2.1 parkeerplaatsen die al in de planregels was opgenomen voor de uit te werken bestemming, ook voor de reguliere woonbestemming op, nu het niet aannemelijk was dat een derde hierdoor in zijn belangen zou kunnen worden geschaad.

Wetswijziging

Met de Reparatieweg BZK is de grondslag voor stedenbouwkundige voorschriften in de bouwverordening komen te vervallen. Die grondslag was opgenomen in art. 8 lid 5 Woningwet, dat nu geschrapt is. Dat bepaalde dat een bouwverordening voorschriften kon bevatten van stedenbouwkundige aard. Ook parkeerregels vallen hier onder, al stond dat niet expliciet in art. 8 lid 5 Woningwet aangegeven. De parkeerregeling is opgenomen in art. 2.5.30 van de bouwverordening en bepaalt kortgezegd dat er voldoende ruimte voor het parkeren van auto’s dient te zijn aangebracht indien de omvang of de bestemming van een gebouw daar aanleiding toe geeft. Gebruikelijk is dat gemeenten verder invulling geven aan deze bepaling door hier parkeerbeleid voor vast te stellen, bijvoorbeeld in een parkeernota.

Nadere invulling met beleidsregels 

Vanuit de gemeenten bestond de wens om de mogelijkheid te behouden van een nadere invulling van de parkeerregeling in beleidsregels. Het per 1 november 2014 in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen artikel 3.1.2 lid 2 onder a Bro (ingevoerd bij het besluit pChw, Stb. 2014, 358) voorziet hierin. Het bepaalt: “Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening kan een bestemmingsplan regels bevatten: a. waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid, afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels.” De planregel kan op grond hiervan volstaan met een bepaling die verplicht in voldoende parkeerruimte bij een nieuw bouwplan of een functiewijziging. Wat daaronder moet worden verstaan kan dan verder geregeld worden in beleid, zoals de parkeernota. Het is dus niet zo dat het bestemmingsplan parkeernormen moet bevatten. Wel kan een gemeenteraad hiervoor kiezen, zoals blijkt uit de uitspraak  de Afdeling van 20 mei 2015.

Overgangstermijn

De wetgever heeft de gemeenten de nodige tijd gegund om hun bestemmingsplannen aan te passen aan de wetswijziging. In de Reparatiewet BZK 2014 is een overgangstermijn opgenomen tot 1 juli 2018. In artikel 133 Woningwet is bepaald voor welke situaties de stedenbouwkundige voorschriften in de bouwverordening nog blijven gelden. Voor bestaande bestemmingsplannen is artikel 2.5.30 bouwverordening nog tot 1 juli 2018 van toepassing. Echter, voor bestemmingsplannen die na 29 november 2014 worden vastgesteld vervalt artikel 2.5.30 bouwverordening direct en moet de parkeerregeling dus in het bestemmingsplan worden opgenomen.

Wat te doen met bestaande en nieuwe bestemmingsplannen?

Zoals de uitspraak van de Afdeling laat zien, zullen gemeenten de komende jaren actief hun bestemmingsplannen moeten aanpassen aan de nieuwe wet. Voor zover de na 29 november 2014 vastgestelde bestemmingsplannen geen stedenbouwkundige bepalingen bevatten, zou dat gebrek gerepareerd kunnen worden met een herstelbesluit. Voor nog vast te stellen bestemmingsplannen moeten voortaan stedenbouwkundige bepalingen in het bestemmingsplan worden opgenomen. Tot 1 juli 2018 kunnen de bestemmingsplannen van vóór 29 november 2014, ongewijzigd blijven.

Uiteindelijk zullen uiterlijk op 1 juli 2018 alle bestemmingsplannen aangepast moeten zijn in die zin dat stedenbouwkundige bepalingen alsnog zijn opgenomen. In plaats daarvan kan ook één paraplubestemmingsplan voor specifiek dat onderdeel worden vastgesteld, zodat niet alle afzonderlijke bestemmingsplannen gewijzigd hoeven te worden. Tegen die tijd zal naar verwachting de Omgevingswet in werking treden, zodat het omgevingsplan in de plaats komt van de verschillende bestemmingsplannen die de gemeente heeft voor het eigen grondgebied. De parkeerregeling zal dan in het omgevingsplan moeten worden opgenomen.