In een recente uitspraak heeft de kantonrechter Amsterdam antwoord gegeven op de vraag of de contractuele ontslagvergoeding onder de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) en de transitievergoeding (op basis van de WWZ) kunnen cumuleren. Daarnaast is de kantonrechter onder andere ingegaan op de vraag of bepaalde vergoedingen, zoals outplacement, onder de gemaximeerde ontslagvergoeding van de WNT vallen.

Feiten

In deze zaak gaat het om een statutair bestuurder van een stichting wiens arbeidsovereenkomst, met inachtneming met een opzegtermijn van zes maanden, is opgezegd wegens een onherstelbare vertrouwensbreuk. De Raad van Toezicht heeft de bestuurder gedurende de opzegtermijn geschorst met behoud van loon. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat de werknemer bij ontslag - afhankelijk van de omstandigheden - recht heeft op een redelijke ontslagvergoeding. In dat kader zijn partijen een vertrekregeling overeengekomen, waarin naast de transitievergoeding een drietal additionele vergoedingen aan de bestuurder worden betaald: een ontslagvergoeding van € 75.000, een outplacementvergoeding van € 8.000 en een vergoeding voor financieel- en pensioenadvies en rechtsbijstand tot een bedrag van € 2.000. Deze vergoedingen zullen alleen worden uitgekeerd indien dat onder de WNT is toegestaan, waartoe partijen op de voet van artikel 96 Rechtsvordering de kantonrechter om een oordeel vragen.

Vragen en antwoorden

1. Mag de tussen partijen overeengekomen WNT-ontslagvergoeding cumuleren met de transitievergoeding?

Gelet op de bedoelingen van de WNT, mogen deze vergoedingen niet cumuleren. Maar dit geldt alleen voor zover de twee vergoedingen tezamen boven de gemaximeerde WNT-vertrekvergoeding van € 75.000 uitkomen. Dit betekent overigens niet dat de transitievergoeding wordt genormeerd door de WNT. Met andere woorden: als een werknemer aanspraak maakt op een transitievergoeding die hoger is dan het WNT-maximum, dan levert dat geen strijd op met de WNT.

2. Valt de periode waarin de werknemer door de raad van toezicht eenzijdig is geschorst, vooruitlopend op het ontslagbesluit en gedurende de opzegtermijn tot het einde van het dienstverband, onder de werking van artikel 2.10 lid 3 WNT?

Ja. Artikel 2.10 lid 3 WNT maakt geen uitzondering voor de situatie dat een functionaris bezwaar heeft gemaakt tegen zijn schorsing of de situatie dat de bedoelingen van partijen niet waren gericht op misbruik van de WNT. Het loon dat wordt uitbetaald tijdens de schorsing moet daarom aangemerkt worden als een ontslagvergoeding en komt dus in mindering op de maximale vertrekvergoeding onder de WNT.

3. Vallen vergoedingen zoals de kosten van rechtsbijstand of outplacement of financieel – en pensioenadvies onder artikel 2.10 lid 1 WNT?

Deze vergoedingen vallen alleen buiten de gemaximeerde WNT-vertrekvergoeding, indien deze tijdens het dienstverband óók buiten de bezoldiging-componenten zouden vallen. Dit is bijvoorbeeld het geval als de hierboven genoemde kosten aangemerkt kunnen worden als onbelaste vergoedingen ter dekking van zakelijke kosten of vergoedingen of verstrekkingen die onder de werkkostenregeling vallen. Aangezien dergelijke kosten zelden zullen zijn aangewezen onder de werkkostenregeling, (omdat het incidentele kosten betreft) zullen dergelijke vergoedingen dus ook in mindering komen op de maximale vertrekvergoeding onder de WNT.

Conclusie

Deze uitspraak biedt eindelijk duidelijkheid over de vraag of de transitievergoeding en de billijke vergoeding kunnen cumuleren. Ook is nu duidelijk dat loon over de periode waarin niet gewerkt wordt altijd onder de werking van artikel 2.10 lid 3 WNT valt, ook als het niet werken niet vrijwillig is.