Op Prinsjesdag heeft het kabinet het belastingplan 2017 gepresenteerd. Met betrekking tot de geplande wijzigingen voor het jaar 2017 lichten we hieronder één wijziging verder toe; de aanpassing/verruiming van het begrip “bouwterrein” voor de BTW. Allereerst bespreken we de concrete wijziging, vervolgens gaan we in op de reikwijdte van dit nieuwe begrip en als laatste sluiten we af met de gevolgen voor de praktijk.

Wijziging begrip “bouwterrein”

Met ingang van het jaar 2017 wordt in artikel 11 lid 4 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (“Wet OB 1968”) het begrip bouwterrein als volgt gedefinieerd:

“onbebouwde grond die kennelijk bestemd is om te worden bebouwd met een of meer gebouwen”

Alhoewel deze definitie een stuk korter is dan de huidige definitie van het begrip bouwterrein kan gesproken worden van een verruiming van het begrip. Het kabinet ziet zich genoodzaakt deze verruiming toe te passen vanwege een arrest van het Hof van Justitie EU (“HvJ EU”) van 17 januari 2013 HvJ EU 17 januari 2013, nr. C-543/11, ECLI:EU:C:2013:20 (hierna: “arrest Maasdriel”)) waarin was geoordeeld dat de uitleg van het Nederlandse begrip bouwterrein beperkter is dan de uitleg van hetzelfde begrip op basis van de bepaling in de BTW-richtlijn (Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PbEU 20016, L 347)). Tevens heeft het kabinet deze wijziging ook aangegrepen om te verduidelijken wanneer sprake is van onbebouwde grond.

Reikwijdte nieuwe begrip

De nieuwe definitie van het begrip bouwterrein is op te splitsen in 4 onderdelen. Om te kwalificeren als een bouwterrein moet sprake zijn van (i) onbebouwde grond die (ii) kennelijk (iii) bestemd is om te worden bebouwd (iv) met 1 of meer gebouwen.

Ad (i) – In het belastingplan 2017 is verduidelijkt dat op grond van de rechtspraak van het HvJ EU (HvJ EG 19 november 2009, nr. C-461/08, ECLI:EU:C:2009:722) ook sprake is van onbebouwde grond indien een leverancier grond levert waarop nog een gebouw staat maar waarbij hij zich er toe heeft verbonden om dit gebouw in het kader van de levering volledig te slopen.

Ad (ii) – met het woord kennelijk heeft het kabinet aansluiting willen zoeken bij het arrest Maasdriel waarin het HvJ EU heeft geoordeeld dat alle omstandigheden moeten worden beoordeeld – met inbegrip van de intentie van partijen, mits deze wordt ondersteund door objectieve gegevens –om te bezien of op de datum van levering het betrokken terrein daadwerkelijk bestemd was om te worden bebouwd.

Ad (iii) – Het onbebouwde terrein moet dus bestemd zijn om te worden bebouwd. Dit is in ieder geval aan de orde als aan één of meer van de huidige in de Wet OB 1968 opgenomen limitatieve voorwaarden is voldaan. Er is daarnaast ook aan voldaan als er een ander objectief gegeven is waaruit blijkt dat het terrein op het moment van levering bestemd was te worden bebouwd, bijvoorbeeld ingeval van (a) een aangevraagde (maar nog niet verleende) omgevingsvergunning of (b) gemaakte architect kosten die zien op het te bouwen gebouw op het betreffende terrein. De intentie van de toekomstige eigenaar kan dus voldoende zijn (mits ondersteund door deze objectieve gegevens).

Ad (iv) – Volgens het kabinet gaat het bij bebouwing uitsluitend om een of meer gebouwen of een gedeelte van een gebouw, als bedoeld in artikel 11, derde lid, onderdeel a, van de Wet OB 1968 (Zie wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2017), P. 93). Een gebouw moet dus in zeer ruime zin worden opgevat. Ook een kunstgrasveld of een straat kan daarbij worden aangemerkt als een gebouw.

Gevolgen voor de praktijk

De aanpassing in de Wet OB 1968 heeft tot gevolg dat vanaf 2017 (ingeval dit wetsvoorstel wordt aangenomen) belastingplichtigen geen beroep meer hoeven te doen op EU recht om in aanmerking te komen voor het verruimde begrip bouwterrein.

BTW gevolgen

De levering van een bouwterrein is van rechtswege BTW belast terwijl de levering van onbebouwde grond (niet kwalificerend als bouwterrein) in principe is vrijgesteld van BTW. Door de verruiming zal eerder worden voldaan aan de kwalificatie bouwterrein waardoor van rechtswege BTW is verschuldigd.

Samenloopvrijstelling overdrachtsbelasting

De aanpassing in de Wet OB 1968 heeft tot gevolg dat voor de gevallen waar sprake is van een verkrijging van een bouwterrein de samenloopvrijstelling van overdrachtsbelasting, zoals geregeld in de Wet belastingen van rechtsverkeer, van rechtswege van toepassing is. Dit voorkomt dat én BTW én overdrachtsbelasting wordt geheven. Het is voor een belastingplichtige ook niet langer nodig om zich te beroepen op een recent beleidsbesluit om deze samenloopvrijstelling te verkrijgen (Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 2 juni 20016, nr. BLKB2016/508M (Stcrt. 2016,29598)).

Geen cherry-picking meer

Omgekeerd is het voor belastingplichtigen nu helaas niet mogelijk om de fiscaal meest voordelige route te kiezen. Ingeval het bijvoorbeeld wenselijk is om overdrachtsbelasting te betalen (bijvoorbeeld omdat de BTW niet verrekend kan worden) kan tot op heden een beroep worden gedaan op het huidige beperkte begrip bouwterrein zoals neergelegd in de Wet OB 1968. In dat geval is ‘slechts’ overdrachtsbelasting verschuldigd. Vanaf 1 januari 2017 is dat dus niet meer mogelijk.