Wanneer is er een omgevingsvergunning voor milieu nodig op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo)? Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van de volgende drie stappen.

  1. Oprichten, in werking hebben, of veranderen.

Eenieder die een inrichting opricht, verandert of in werking heeft, heeft onder bepaalde voorwaarden, bovengenoemde omgevingsvergunning nodig (artikel 2.1 lid 1 onder e Wabo). Het oprichten, veranderen of in werking hebben is hiermee de eerste voorwaarde.

Let op: het oprichten in de zin van de Wabo betreft niet enkel het feitelijk oprichten. De eerste omgevingsvergunning voor milieu die wordt verleend voor een activiteit – ook als die activiteit al jaren wordt verricht zonder vergunning – betreft de oprichtingsvergunning. In een ander blogbericht wordt nader ingegaan op de verschillende juridische regimes die de Wabo kent voor veranderingen van een inrichting.

  1. Er moet sprake zijn van een inrichting.

Dit is het geval indien:

  1. De betreffende activiteit kwalificeert als een inrichting in de zin van artikel 1.1, lid 1 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm). Kort samengevat is dit het geval als de activiteit i) gedurende een zekere periode, ongeveer zes maanden, of met enige regelmaat ii) op steeds dezelfde locatie iii) bedrijfsmatig, of in een omvang als ware deze bedrijfsmatig, wordt verricht.

En:

  1. De betreffende activiteit valt onder een categorieomschrijving van onderdeel C van bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). In dit onderdeel zijn 29 categorieën opgenomen.

Let op: Het kan zo zijn dat er niet direct een categorie uit onderdeel C van bijlage I bij het Bor van toepassing lijkt te zijn op de betreffende inrichting.  Als er echter gebruik wordt gemaakt van elektrische apparaten (bijvoorbeeld wasmachines of een lift) dan valt de inrichting al snel onder categorie 1. Deze categorie ziet op de aanwezigheid van een elektromotor of verbrandingsmotor en wordt in de praktijk vaak de vangnetcategorie genoemd.

  1. De inrichting moet als vergunningplichtig zijn aangewezen.

Als sprake is van een inrichting, dan is deze vergunningplichtig indien (artikel 2.1 lid 2 Bor):

  • De inrichting als dusdanig wordt aangewezen in onderdeel B van bijlage I bij het Bor. Dit is onder andere het geval indien voor de inrichting een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, het Besluit externe veiligheid inrichtingen of het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 op de inrichting van toepassing is.
  • De inrichting als vergunningplichtig is aangewezen in onderdeel C van bijlage I bij het Bor.

Let op: Het is niet voldoende dat een inrichting enkel valt onder een categorie-omschrijving van onderdeel C van bijlage I Bor. De inrichting moet vallen onder de categorie-omschrijving waarin de inrichting expliciet als ‘vergunningplichtig’ is aangewezen.

Óf:

  • De inrichting een IPPC installatie bevat. Dit is een installatie voor industriële activiteiten zoals bedoeld in bijlage 1 bij de Richtlijn Industriële Emissies (2010/74/EU) (artikel 2.1 lid 2 Bor).

Let op: In de Omgevingswet die thans bij de Eerste Kamer ligt, is het aangrijpingspunt van de regulering niet meer de inrichting, maar ‘de milieubelastende activiteit’. Enerzijds wordt het daardoor naar verwachting (volgens de regering) eenvoudiger om vast te stellen of sprake is van een vergunningplichtige activiteit. Anderzijds leidt dit aangrijpingspunt tot veel onduidelijkheid, vooral als er verschillende activiteiten worden verricht, al dan niet door verschillende rechtspersonen. In een ander blogbericht wordt nader op deze materie ingegaan. Zie voor meer informatie over de Omgevingswet www.pgomgevingswet.nl.