Het kabinet heeft in het Belastingplan 2016 voorgesteld om de definitie van het begrip bouwterrein in de Wet op de omzetbelasting 1968 ("Wet OB") te verruimen. Onder een bouwterrein wordt met ingang van 1 juli 2017 verstaan: "Onbebouwde grond die kennelijk bestemd is om te worden bebouwd met een of meer gebouwen".

Het HvJ had eerder al uitgemaakt dat de uitleg van het begrip bouwterrein in de Wet OB beperkter is dan de uitleg van hetzelfde begrip op basis van de btw-richtlijn (Richtlijn 2006/112/EG). Een terrein dient als een bouwterrein in de zin van de btw-richtlijn worden aangemerkt, wanneer uit een beoordeling van alle omstandigheden (met inbegrip van de intentie van partijen, mits deze wordt ondersteund door objectieve gegevens) blijkt dat op de datum van levering het betrokken terrein daadwerkelijk bestemd was om te worden bebouwd. De Nederlandse Wet OB vereiste daarentegen dat al handelingen werden verricht met het oog op verbouwing.

Door de verruiming van het begrip bouwterrein in de Wet OB wordt de Nederlandse wet in overeenstemming gebracht met de Btw-richtlijn. Als gevolg hiervan zal grond eerder kwalificeren als bouwterrein, waardoor bij de levering van dergelijke grond btw is verschuldigd en de verkrijger een beroep kan doen op een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting.

Btw-vrijstelling beheer van vastgoedfondsen
De Advocaat-Generaal heeft op 2 september 2016 een conclusie gepubliceerd waarin zij oordeelt dat bij de vraag of een fonds onder "bijzonder overheidstoezicht" staat en als gemeenschappelijk beleggingsfonds kwalificeert, gekeken dient te worden naar het Nederlandse toezichtsrecht. Administratieve diensten (in algemene zin) en directievoering kunnen als van btw vrijgesteld beheer worden aangemerkt. De feitelijke exploitatie van de onroerende zaken is daarvan uitgezonderd. De conclusie van de Advocaat-Generaal is in grote lijnen conform verwachting.

Aanleiding voor de conclusie van de Advocaat-Generaal is de op 9 december 2015 door het HvJ gedane uitspraak in de Nederlandse zaak Fiscale Eenheid X N.V. (C-595/13). Het HvJ heeft in deze zaak beslist dat ook vastgoedfondsen als "gemeenschappelijk beleggingsfonds" in de zin van de Btw-richtlijn kunnen kwalificeren. Indien dergelijke fondsen onder bijzonder overheidstoezicht staan geldt voor het beheer van vastgoedfondsen een btw-vrijstelling. Het HvJ heeft daarnaast beslist dat de feitelijke exploitatie van onroerende zaken door een gemeenschappelijk beleggingsfonds niet onder het begrip beheer valt, waardoor de btw-vrijstelling op de feitelijke exploitatie niet toegepast kan worden.

De Advocaat-Generaal is van mening dat toezicht op grond van de toen geldende Wet toezicht beleggingsinstellingen ("Wtb") kan worden beschouwd als bijzonder overheidstoezicht. De Wbt bestaat niet meer. Het toezicht is sinds 2007 geregeld in de Wet op het financieel toezicht ("Wft"). Het is de verwachting dat thans zal moeten worden getoetst aan de Wft en/of de Europese ICBE of AIFM richtlijn.

In de huidige Nederlandse praktijk is het niet vereist dat een fonds onder toezicht dient te staat. De btw-vrijstelling voor collectief vermogensbeheer zal als gevolg van het arrest van het HvJ inzake Fiscale Eenheid X N.V. in Nederland worden ingeperkt. Voor fondsen die nu niet aan toezicht zijn onderworpen, zal de btw-vrijstelling voor het beheer van deze fondsen namelijk komen te vervallen.