Opdrachtgevers die ZZP’ers inschakelen, willen graag vooraf duidelijkheid of sprake is van een fictief dienstverband. Tot de inwerkingtreding van de Wet DBA per 1 mei 2016 konden opdrachtgevers zekerheid krijgen via de Verklaring arbeidsrelatie (‘VAR’). Als de ZZP’er een VAR kon overleggen, dan was de opdrachtgever gevrijwaard voor het afdragen van loonheffingen en premies werknemersverzekeringen.

Beoordeling modelovereenkomsten

Sinds het verdwijnen van de VAR per 1 mei 2016 heerst onduidelijkheid over de status van arbeidsrelaties tussen opdrachtgevers en ZZP’ers. De Belastingdienst heeft modelovereenkomsten beschikbaar gesteld. Werken partijen volgens een modelovereenkomst, dan is in beginsel geen sprake van een dienstverband.

Om meer zekerheid te krijgen kunnen partijen hun modelovereenkomst laten beoordelen door de Belastingdienst. Dit is echter een schijnzekerheid; blijkt dat in de praktijk niet volgens de modelovereenkomst is gewerkt, dan kan de Belastingdienst achteraf oordelen dat sprake was van een dienstverband. De opdrachtgever moet dan alsnog loonheffingen en premies werknemersverzekeringen betalen.

Deze onzekerheid hangt als een zwaard van Damocles boven het hoofd van opdrachtgevers en heeft een verstorend effect op de markt: vanwege het risico op naheffingen kiezen opdrachtgevers eieren voor hun geld en schakelen – in plaats van ZZP’ers – uitzendkrachten in of nemen (tijdelijk) personeel aan op basis van een dienstverband. Opdrachtgevers en ZZP’ers snakken naar duidelijkheid. Zoals wij in een recent blog schreven, laat die duidelijkheid nog even op zich wachten.

De feiten op een rij

Uit een brief van de Belastingdienst van 9 juni 2017 in antwoord op een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB), blijkt een aantal interessante feiten over hoe de Belastingdienst in de praktijk modelovereenkomsten beoordeelt.

Tot 17 april 2017 zijn er 7.443 modelovereenkomst ter beoordeling voorgelegd. Daarvan is 21% goedgekeurd, 35% afgekeurd en 11% nog in behandeling. Van de resterende 33% van de modelovereenkomsten is de behandeling afgebroken en zal de Belastingdienst geen oordeel vellen. Redenen voor het afbreken zijn het feit dat de indiener (i) geen behoefte meer heeft aan een oordeel; (ii) zelf tot de conclusie komt dat sprake is van een dienstbetrekking; (iii) besluit te werken met een gepubliceerd model; en (iv) duidelijk sprake is van een overeenkomst van opdracht en geen modelovereenkomst nodig acht.

De gemiddelde doorlooptijd van een beoordeling is veertien (14) weken, hetgeen aansluit bij onze eigen ervaringen als wij namens cliënten modelovereenkomsten aan de Belastingdienst voorleggen. En dat terwijl de Belastingdienst op haar eigen website stelt ernaar te streven voorgelegde modelovereenkomsten binnen zes (6) weken te beoordelen. Voor opdrachtgevers en ZZP’ers is die lange doorlooptijd een probleem, aangezien zij veelal direct aan de slag willen en behoefte hebben aan zekerheid over hun arbeidsrelatie.

Volgens de Belastingdienst komt de langere doorlooptijd door de ‘coachende rol’ die zij vervult. Zij wijst modelovereenkomsten die niet voldoen niet meteen af en onderzoekt samen met de indiener hoe het wél kan. Modelovereenkomsten waarvan de eerste versie niet voldoet, blijken in latere versies wel de toets der kritiek te kunnen doorstaan.

Handhaving uitgesteld

In haar brief schrijft de Belastingdienst dat zij in ieder geval tot 1 januari 2018 niet zal handhaven. Dat is inmiddels achterhaald. De handhaving van de Wet DBA is verder opgeschort tot ten minste 1 juli 2018.