Het Grondwettelijk Hof boog zich over het Vlaamse Omgevingsvergunningsdecreet. Het resultaat is overwegend positief.

Op 23 februari 2017 doet – als alles goed blijft gaan – de omgevingsvergunning in Vlaanderen haar intrede.

Het Omgevingsvergunningsdecreet beoogt het kader te scheppen voor een vergunningensystematiek die volgens één geïntegreerde omgevingsvergunningsprocedure zal verlopen. De omgevingsvergunning zal zowel de stedenbouwkundige als de milieuaspecten van een voorgenomen project samen behandelen.

Nog voor de inwerkingtreding ervan, is het Omgevingsvergunningsdecreet gewijzigd. De meest recente wijzigingsvoorstellen zijn thans nog in behandeling in het Vlaams Parlement.

Daarnaast diende het Grondwettelijk Hof zich te buigen over een aantal beroepen tot nietigverklaring tegen het Omgevingsvergunningsdecreet.

Het Omgevingsvergunningsdecreet heeft dus al verschillende hordes moeten nemen, nog voor het in werking trad.

De horde voor het Grondwettelijk Hof is– onverwacht – quasi foutloos genomen. Hoewel er meer dan tien artikelen waren aangevochten, heeft het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 125/2016 van 6 oktober 2016 slechts één artikel vernietigd.

  • De vernietigde bepaling: artikel 226

Het (vernietigde) artikel 226 van het Omgevingsvergunningsdecreet stelde de loutere hernieuwing van een omgevingsvergunning of de omzetting van een bestaande milieuvergunning, verleend vanaf 10 september 2002, naar een omgevingsvergunning vrij van de opmaak van een passende beoordeling, tenzij indien de hernieuwing of de omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu vereisen. De decreetgever achtte deze bepaling bestaanbaar met artikel 6, lid 3 van de Europese Habitatrichtlijn 92/43, vermits dit artikel enkel van toepassing is op een “project” en het begrip “project” – althans in het kader van de Europese project-MER-Richtlijn 2011/92 – begrepen wordt als elke “fysieke ingreep in het leefmilieu”.

Het Grondwettelijk Hof acht deze interpretatie van de decreetgever onvoldoende in het licht van de doelstelling van de Habitatrichtlijn. Verwijzend naar artikel 6, lid 2 van de Habitatrichtlijn, dat een algemene beschermingsverplichting inhoudt die ook geldt voor exploitaties die niet kwalificeren als een “project” in de zin van artikel 6, lid 3 van de Habitatrichtlijn, oordeelt het Hof dat voor een hernieuwing van een omgevingsvergunning een passende beoordeling uit te voeren is wanneer het project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een speciale beschermingszone. Enkel zo kan het vergunningverlenend bestuur immers zekerheid verkrijgen dat het project de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zullen worden aangetast, dan wel dat artikel 6, lid 4 van de Habitatrichtlijn moet worden toegepast.

De bal ligt nu in het kamp van de decreetgever. In elk geval is nu al duidelijk dat de passende beoordeling opnieuw zijn intrede zal doen voor hernieuwingen van de omgevingsvergunning en omzettingen van een (tijdelijke) milieuvergunning naar een (permanente) omgevingsvergunning.

  • Het Hof ziet in de overige aangekaarte ongrondwettigheden geen graten

Het Grondwettelijk Hof wees alle overige middelen van de verzoekers integraal af. Het Hof oordeelde onder meer dat het Omgevingsvergunningsdecreet de participatierechten van derden niet aantast en dat het systeem van de stilzwijgende weigering in administratief beroep van een omgevingsvergunning niet strijdig is met de Grondwet (of minstens dat dit kan worden verantwoord door redenen die verband houden met het algemeen belang).

Ook de invoering van de onbepaalde duur van de omgevingsvergunning heeft de grondwettelijke toets van het Hof doorstaan.

Tenslotte werd ook de erg becommentarieerde bepaling van het Omgevingsvergunningsdecreet (artikel 155) naar luid waarvan een hernieuwing van een omgevingsvergunning of een omzetting van een milieuvergunning naar een omgevingsvergunning niet project-MER-plichtig is, niet vernietigd. Het Hof achtte deze bepaling verenigbaar met de project-MER-Richtlijn en de rechtspraak van het Hof van Justitie terzake.

  • In rechte lijn naar 23 februari 2017?

Ook als was de proef niet foutloos, het arrest van het Hof mag gezien worden als een overwinning voor de omgevingsvergunning. Artikel 226 van het Omgevingsvergunningsdecreet werd weliswaar vernietigd, maar de filosofie en het systeem van de omgevingsvergunning blijven overeind.

Hiermee staat de omgevingsvergunning een grote stap dichter bij de inwerkingtreding op 23 februari 2017. Rest de vraag of de lokale besturen tijdig voorbereid zijn op deze inwerkingtreding. De wijziging van het Omgevingsdecreet die thans in het Vlaams parlement in behandeling is, kan mogelijks nog voor verrassingen zorgen.