Op 6 april 2017 deed het Europees Hof van Justitie (“Hof”) uitspraak over de vraag of na een overgang van onderneming, de door werknemer reeds bij de vervreemder opgebouwde dienstjaren meetellen voor berekening van de opzegtermijn. In eerdere arresten heeft het Hof geoordeeld dat het aantal dienstjaren bij de vervreemder op zich geen recht vormt dat overgegane werknemers bij de verkrijger geldend kunnen maken. Dit neemt echter niet weg dat dit aantal dienstjaren, mede bepalend is voor bepaalde financiële rechten van de werknemers en dat die rechten in beginsel door de verkrijgende partij op dezelfde voet als bij de vervreemder moeten worden gehandhaafd. In onderliggende zaak ging het om een opzegtermijn van zes maanden, hetgeen tevens aanspraak geeft op loondoorbetaling van 6 maanden loon. De opzegtermijn moet dan ook als een financieel recht worden beschouwd. Artikel 3 lid 1 eerste alinea van Richtlijn 2001/23 moet aldus worden uitgelegd, dat de verkrijger die na een overgang van ondernemingen een werknemer ontslaat, voor de geldende opzegtermijn het aantal dienstjaren moet meetellen dat werknemer bij de vervreemder heeft vervuld.