De Nederlandse Juristenvereniging vergadert op vrijdag 10 juni 2016 te Haarlem over het thema de Homo Digitalis. Daaronder moet volgens een van de preadviezen worden verstaan een mens die zich (deels) laat vertegenwoordigen of leiden door één of meer gedigitaliseerde processen en die moet (over)-leven in een omgeving die dat mogelijk maakt.

Er zijn mooie preadviezen geschreven over privacy voor de homo digitalis (Moerel & Prins), data-gestuurde intelligentie in het strafrecht (Hildebrandt), privaatrecht voor de homo digitalis met een accent op eigendom, gebruik en handhaving (Tjong Tjin Tai) en de vraag of de homo digitalis voldoende bestuursrechtelijk wordt beschermd (Zwenne & Schmidt). Besprekingen van deze preadviezen, die samen maar liefst 385 bladzijden beslaan (Handelingen NJV 2016-I), zijn traditiegetrouw in dit nummer van het NJB opgenomen. Lezing van zowel deze besprekingen als de preadviezen zelf (die zijn te downloaden via njv.nl/preadviezen-en-programma-2016/) is aanbevelenswaardig. Nog beter is het om – bij gebreke aan de mogelijkheid live digitaal te participeren – ook af te reizen naar Haarlem en actief te deel te nemen aan het debat.

Op 12 juni 1998 vergaderde de Nederlandse Juristenvereniging voor het eerst over een verwant thema, toen nog onder de bescheidener en minder universele titel ‘Recht en Internet’ (vgl. Handelingen NJV 1998-I/II). Rode draad van de beraadslagingen toen was de vraag of wat offline geldt ook online zou moeten gelden, welke vraag in het algemeen positief werd beantwoord. Daarbij waren er de nodige wensen voor aanpassing van wetgeving op strafrechtelijk en auteursrechtelijk gebied om zo de nieuwe technologische mogelijkheden juridisch in te bedden. Tegelijkertijd antwoordde een krappe meerderheid van de vergadering bevestigend op de vraag of de wetgever ruimte zou moeten laten voor vernieuwing en experiment door in beginsel af te zien van wet- en regelgeving.

Na 1998 is de digitale techniek razendsnel voortgeschreden, maar geldt dat ook voor het recht en de destijds daarvoor omarmde uitgangspunten? De preadviezen laten zien dat er sindsdien vele nieuwe vragen en uitdagingen voor het recht zijn opgekomen die nog maar deels zijn geadresseerd. Ook maken zij duidelijk dat het waarborgen van privacy voor de homo digitalis weliswaar een belangrijke maar zeker niet de enige uitdaging is. Mede debet daaraan is het feit dat onze leefwereld, zoals in 1998 nog wel kon worden aangenomen, niet meer helder is opgedeeld in offline en online, hetgeen Hildebrandt brengt tot de introductie van het woord ‘onlife’ wereld. In zijn column in NRC van 24 mei 2016 verwoordt Maxim Februari een en ander onder de kop ‘Juist automatiseren zet de deur open voor willekeur’ als volgt: ‘Het gaat niet om privacy. We betreden een tijdperk waarin machines onze politieke en maatschappelijke beslissingen nemen. Dan kun je zeggen dat zo’n ontwikkeling inbreuk pleegt op je privacy, maar dat is net zoiets als zeggen dat een dijkdoorbraak slecht is voor het telefoonverkeer. Het is waar, en het is zeker niet onbelangrijk, maar het is niet het hele verhaal. Het gaat niet om de privacy, want het gaat ook om rechtszekerheid, identiteit, eigendom, het vermoeden van onschuld, rechtsgelijkheid en anti-discriminatie, vrijheid van meningsuiting, autonomie, contractvrijheid, kortom het rechtsstelsel in zijn geheel. Dat moet fundamenteel opnieuw worden doordacht nu de samenleving wordt gestuurd door data en algoritmes. (…) Data en algoritmes zijn niet het probleem. De gebruikers zijn het probleem.’

Of Februari de preadviezen voor de NJV heeft gelezen volgt niet uit zijn column. Maar het zijn – ondanks de vaak meer voorzichtige juridische bewoordingen – wel precies zijn analyse en oproep die daarin van een onderbouwing worden voorzien. Belangrijk om vast te stellen is dat alle preadviseurs het recht wel een belangrijke rol blijven toedichten in de digitale wereld. Het debat gaat met name over de vraag of beter met meer open normen of meer gesloten normen kan worden gewerkt. Op het terrein van privacybescherming kiezen Moerel & Prins voor die eerste benadering waarbij een belangenafweging voorop staat. Hildebrandt is daarover vanuit de strafrechtelijke optiek kritisch en bepleit juist meer gesloten normen. Daarnaast is er discussie over de vraag wie (als eerste) aan zet is om de digitale uitdagingen op te pakken. Voor het bestuursrecht zetten Zwenne & Schmidt daarbij hun kaarten met name op de wetgever. Deze keuze wordt in de bespreking van hun preadvies van kanttekeningen voorzien omdat daarmee de rol van de rechter zou worden onderschat. Voor het privaatrecht ziet Tjong Tjin Tai een gecombineerde actie van rechter en wetgever het meest zitten. De bescherming van de homo digitalis door de rechter blijkt wel te worden gecompliceerd doordat betrokkenen vaak niet op de hoogte zijn van het feit dat hun belangen in het gedrang zijn als gevolg van digitale technieken. Dat kan overigens eveneens een probleem vormen bij de handhaving van wetgeving waar die wel tot stand komt. Dat vergt blijkens de preadviezen het doordenken van aanvullende of alternatieve handhavingsmogelijkheden. Daarbij kan worden gedacht aan ex-post evaluatie van wetgeving, het toestaan van abstracte algemeen belang acties bij de rechter en het meer ambtshalve opereren van bestaande en mogelijk nieuw te introduceren toezichthouders.

Er is dus sprake van grote uitdagingen voor het recht, waarbij overigens opvalt dat deze veelal kunnen worden herleid tot de klassieke juridische vragen zoals hiervoor beschreven. Tegelijk volgt uit de preadviezen dat de voortschrijdende digitalisering juristen dwingt hun technische kennis op peil te brengen. Anders kunnen zij niet de ordenende en beschermende rol spelen die de homo digitalis van hen verwacht. De homo digitalis is opgestaan. De praetor digitalis moet nu snel volgen.

Dit Vooraf is ook gepubliceerd in NJB 2016/1071, afl. 22.