Recentelijk trad een aantal wijzigingen van de mijnbouwwet- en regelgeving in werking, waaronder de wetswijziging in het kader van “versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings-, winnings-, en opslagvergunningen” (Stb. 2016, 554) en het bijbehorende besluit tot wijziging van het Mijnbouwbesluit “in verband met bepalingen over retributies en afsplitsing van winningsvergunningen en enkele andere bepalingen” (Stb. 2016, 557)

Genoemde wijzigingen beogen een veilige opsporing en winning van gas en andere delfstoffen, en bevatten daarnaast nieuwe regels over onder meer de afsplitsing van specifieke winningsvergunningen voor koolwaterstoffen en de mogelijkheid om kosten in verband met het verlenen van mijnbouwvergunningen alsmede bepaalde kosten van toezicht door te berekenen aan mijnbouwexploitanten en gasnetbeheerders.

Afsplitsing Onder de Mijnbouwwet was reeds mogelijk om een mijnbouwvergunning (zijnde een opsporings-, winnings- of opslagvergunning) te splitsen in twee of meer vergunningen voor twee of meer gebieden, of samen te voegen waardoor er één vergunning voor het gehele gebied ontstaat. Sinds 1 januari 2017 kent de Mijnbouwwet naast de figuren ‘splitsing’ en ‘samenvoeging’ ook de nieuwe figuur ‘afsplitsing’. De regels voor afsplitsing komen vrijwel overeen met wat in de wet omtrent splitsing is geregeld, maar bij afsplitsing zal het altijd moeten gaan om een zogenaamde ‘oude’ (vóór 1965 verleende) winningsvergunning voor koolwaterstoffen. Feitelijk gaat het om mijnconcessies die op grond van de oude Mijnwet 1810 zijn verleend voor Schoonebeek, Tubbergen, Rijswijk, Rossum-De Lutte en Groningen.

Een ander verschil is dat er ingeval van splitsing twee vergunningen ontstaan ten gevolge waarvan de oorspronkelijke vergunning komt te vervallen. Bij afsplitsing gebeurt dat niet; de oorspronkelijke vergunning blijft ongewijzigd in stand en gaat alleen voor een kleiner gebiedsdeel gelden. Dat heeft de volgende reden. De onzekerheid over de gevolgen van splitsing voor de oorspronkelijke winningsvergunning en het (mogelijk) vervallen van de daaraan verbonden specifieke afdrachtverplichtingen aan de staat werden in de praktijk als grote belemmeringen gezien bij het door middel van splitsing overdragen van niet-benutte delen van oude winningsvergunningen op geïnteresseerde derden. Onduidelijk was namelijk of door splitsing van een dergelijke oude winningsvergunning het overgangsrecht in de Mijnbouwwet (waarin de uitzonderingspositie van deze oude winningsvergunningen werd gewaarborgd) wel of niet van toepassing zou zijn op de vergunningen die door de splitsing zouden ontstaan. Door de mogelijkheid tot afsplitsing in de wet op te nemen heeft de wetgever deze belemmeringen willen wegnemen, in de hoop dat dit uiteindelijk een doelmatige exploratie en exploitatie van de Nederlandse olie- en gasvoorraden ten goede zal komen.

Beoordeling aanvraag door de Minister Indien de houder van een dergelijke oude winningsvergunning een deel daarvan wil doen overgaan op een ander, dient hij – naast een verzoek tot schriftelijke toestemming van de Minister van Economische Zaken (de ‘Minister’) – tevens een aanvraag in te dienen tot afsplitsing van dat deel van de winningsvergunning. De Mijnbouwregeling regelt de wijze waarop een aanvraag om afsplitsing dient te worden ingediend. De Minister zal de partij die de afgesplitste winningsvergunning wil overnemen, beoordelen aan de hand van dezelfde criteria als bij een aanvraag van een nieuwe winningsvergunning. Dit betekent dat gekeken zal worden naar de technische en financiële mogelijkheden van de aanvrager, de wijze waarop de aanvrager voornemens is de activiteiten uit te voeren en naar diens efficiëntie en verantwoordelijkheidszin.

De Minister kan een aanvraag om afsplitsing weigeren, in het geval een voorkomen in het oorspronkelijke vergunningsgebied zich door de afsplitsing in twee of meer verschillende vergunningsgebieden zal bevinden, dan wel in het belang van het doelmatig en voortvarend winnen, of indien deze in overwegende mate strekt tot vermindering van de financiële afdrachten aan de staat.

Inwilliging aanvraag afsplitsing Indien de Minister de aanvraag om afsplitsing inwilligt, wijzigt de Minister de winningsvergunning door van het gebied waarop die vergunning betrekking heeft, af te splitsen een gebiedsdeel dat de vergunninghouder wil doen overgaan op een ander. Aan deze vergunninghouder wordt voor het afgesplitste gebiedsdeel een zogenaamde ‘nieuwe’ winningsvergunning verleend, waarop – behoudens een paar overgangsrechtelijke bepalingen – het overgangsrecht van de Mijnbouwwet niet van toepassing is. Er is dan sprake van twee afzonderlijke vergunningen: 1. de oorspronkelijke winningsvergunning die ongewijzigd in stand blijft maar voor een kleiner gebied (dan voor de afsplitsing) geldt en 2. de afgesplitste winningsvergunning die geldt voor het afgesplitste gebiedsdeel. Tezamen gelden zij dan voor hetzelfde gebied als waarvoor de oorspronkelijke winningsvergunning gold voorafgaand aan de afsplitsing.

De afgesplitste winningsvergunning is qua duur en karakter gelijk aan de oorspronkelijke winningsvergunning en geldt dus voor een gelijke duur en voor dezelfde activiteiten. Alleen eventuele afspraken en overeenkomsten tussen de staat en de vergunninghouder omtrent financiële afdrachten aan de staat die samenhangen met de oorspronkelijke winningsvergunning, komen voor de afgesplitste winningsvergunning te vervallen. Op de afgesplitste winningsvergunning is dan het generieke afdrachtenregime van afdeling 5.1.1 van de Mijnbouwwet van toepassing. Wat betreft de oorspronkelijke winningsvergunning blijven dergelijke afspraken en overeenkomsten na de afsplitsing ongewijzigd in stand.

Staatsdeelneming is niet van toepassing ten aanzien van de afgesplitste winningsvergunning, voor zover dit niet uit de oorspronkelijke winningsvergunning blijkt. Volgt uit de oorspronkelijke winningsvergunning daarentegen dat staatsdeelneming van toepassing is, dan geldt staatsdeelneming onder dezelfde voorwaarden ook ten aanzien van de afgesplitste winningsvergunning.

Beperkingen en voorschriften In beginsel worden aan de afgesplitste winningsvergunning dezelfde beperkingen en voorschriften verbonden als die zijn verbonden aan de oorspronkelijke winningsvergunning, tenzij dit niet verenigbaar is met het bij en krachtens de wet bepaalde. De Minister kan aangepaste voorschriften en beperkingen verbinden aan de afgesplitste winningsvergunning, mede met het oog op het planmatig beheer of gebruik van delfstoffen, aardwarmte en andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen.

Overdracht en inwerkingtreding De afsplitsing is gekoppeld aan de overdracht van de afgesplitste winningsvergunning. Zo treedt de afsplitsing pas in werking op het moment dat de winningsvergunning voor het afgesplitste gebiedsdeel onherroepelijk is overgegaan op een ander. Na een (eerste) afsplitsing is het overigens mogelijk om de oorspronkelijke vergunning verder af te splitsen in meerdere gebiedsdelen. Voor iedere latere afsplitsing dient dan weer een aanvraag te worden ingediend en gelden weer dezelfde regels als bij de eerdere afsplitsing.

Retributies Voorheen werden er aan mijnbouwondernemingen geen kosten in rekening gebracht in verband met het aanvragen van een vergunning, ontheffing of instemming. Onder de huidige mijnbouwwet- en regelgeving is dat nu anders. Ook worden voortaan bepaalde kosten van overheidstoezicht aan mijnbouwondernemingen in rekening gebracht. Hiermee wordt aangesloten bij de gebruikelijke praktijk in andere landen rond de Noordzee, waar mijnbouwondernemingen al betalen voor het uitvoeren van toezicht door de overheid.

Mijnbouwexploitanten en gasnetbeheerders dienen dus rekening te houden met een nieuwe kostenpost in de vorm van retributies. Het retributiesysteem is gestoeld op het profijtbeginsel, met als uitgangspunt dat de kosten van overheidstoezicht waar mogelijk dienen te worden verhaald op degenen die daarvan (het meest) profiteren. Alleen die activiteiten die individualiseerbaar zijn, oftewel duidelijk zijn te herleiden naar de activiteiten van de mijnbouwonderneming, worden in rekening gebracht.

Vanaf 1 januari 2017 worden de volgende kosten van de Minister en Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) doorberekend aan mijnbouwexploitanten en gasnetbeheerders:

  • de kosten van de Minister in verband met het door de Minister op aanvraag verlenen, wijzigen of intrekken van vergunningen, instemmingen en ontheffingen met betrekking tot mijnbouw (zoals nader omschreven in het Mijnbouwbesluit), alsmede in verband met de beoordeling van een melding voor een handeling met een mobiele installatie. Een vergoeding voor de kosten met betrekking tot de instemming op basis van artikel 5a lid 1 van het Besluit algemene regels milieu mijnbouw is vooralsnog niet mogelijk, aangezien dit onderdeel nog niet in werking is getreden in het Mijnbouwbesluit.
  • de kosten van SodM, verschuldigd voor de uitvoering van bepaalde wettelijke taken, welke worden vastgesteld (i) per exploitant, eigenaar of netbeheerder, (ii) per activiteit en (iii) afhankelijk van de locatie op land of op zee, de eigenschappen en de grootte van de installatie, de pijpleiding of het gastransportnet. Overigens wordt daarbij nog onderscheid gemaakt tussen actieve en niet-actieve exploitanten of eigenaren. Niet-actieve exploitanten zullen alleen een bedrag moeten betalen ter vergoeding van de kosten voor het toezicht op de naleving van de vergunningsvoorwaarden door SodM en voor zover die kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Kosten die zowel het algemeen belang van veiligheid als het belang van de mijnbouwondernemingen dienen, worden niet doorberekend; evenals kosten, gemaakt in het kader van advisering en het uitvoeren van onderzoek dat geen verband houdt met het verlenen, wijzigen of intrekken op aanvraag van een vergunning, of ter zake het vaststellen van sanctiebesluiten.

De bedragen die op grond van de Mijnbouwwet verschuldigd zijn, zijn vaste bedragen en worden bij ministeriële regeling vastgesteld. De verschuldigde bedragen zullen bij beschikking van de Minister in rekening worden gebracht, maar komen toe aan de staat.