De Onteigeningswet zal in het voorjaar van 2019 worden vervangen door de Aanvullingswet Grondeigendom, als onderdeel van de nieuwe Omgevingswet. Dit lijkt misschien ver weg, maar het indienen van een reactie op de ontwerpwet is op dit moment, en uiterlijk tot en met 16 september 2016, nog mogelijk. Via deze link kunt u de volledige ontwerpwet raadplegen en desgewenst meedoen aan de internetconsultatie. In de Aanvullingswet Grondeigendom zal onteigening in alle gevallen zien op de onroerende zaak als geheel.

De mogelijkheid onder huidig recht om beperkte rechten (zoals opstal of erfpacht) afzonderlijk te onteigenen in gevallen waarin de onroerende zaak al toebehoort aan de onteigenaar, vervalt. Daarnaast wordt de procedure voor onteigening ingrijpend gewijzigd.

De onteigeningsprocedure zoals we die nu kennen bestaat uit:

  1. een administratieve fase voor het nemen van een besluit tot verzoek om onteigening,  
  2. een procedure bij de Kroon voor een Koninklijk Besluit tot onteigening, en,
  3. een procedure bij de burgerlijke rechter voor het uitspreken van de onteigening en vaststelling van de schadeloosstelling.

Met de Aanvullingswet Grondeigendom zullen de procedure bij de Kroon en bij de burgerlijke rechter worden geschrapt. In plaats daarvan vindt onteigening plaats door middel van een onteigeningsbeschikking: een besluit tot onteigening van het betrokken bestuursorgaan. De onteigening vindt plaats op naam van de onteigenaar: een gemeente, waterschap, provincie of de Staat dan wel een rechtspersoon waaraan de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving is toegestaan. De onteigeningsbeschikking wordt voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Onderdeel van die procedure is ter inzage legging van het ontwerp onteigeningsbesluit voor het indienen van zienswijzen. Na de zienswijzeperiode dient het bestuursorgaan een onafhankelijke wettelijke adviescommissie om een advies over het ontwerp onteigeningsbesluit te verzoeken, voordat zij tot vaststelling van de onteigeningsbeschikking kan overgaan. Tegen de onteigeningsbeschikking staat beroep open bij de bestuursrechter en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De eigendomsoverdracht van het onteigende vindt plaats door inschrijving van een notariële onteigeningsakte in de openbare registers. Die kan daar op verzoek van de onteigenaar toe overgaan als de onteigeningsbeschikking (en het daaraan ten grondslag gelegde planologische besluit) onherroepelijk is geworden, een plaatsopneming is gedaan en een door de civiele rechter vastgestelde voorlopige schadeloosstelling is betaald.

Onder de nieuwe wet wordt de schadeloosstelling vastgesteld in een separate procedure bij de civiele rechter, op verzoek van de onteigenaar. Het verzoek kan worden gedaan vanaf bekendmaking van de vastgestelde onteigeningsbeschikking, maar hiermee mag ook worden gewacht tot (uiterlijk 12 maanden) na het onherroepelijk worden daarvan. In het verzoek dient de onteigenaar  de belanghebbende(n) bij de onteigeningsbeschikking te vermelden, zodat die door de rechtbank kunnen worden opgeroepen. Tegen de beschikking van de rechtbank staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.

Met de nieuwe regeling wordt de procedure voor verkrijging van een onteigeningstitel onder het bestuursprocesrecht gebracht. Dat past in het stelsel van rechtsbescherming in de Awb en de nieuwe Omgevingswet. Dit leidt naar verwachting tot een versnelling ten opzichte van de huidige procedure. Belangrijk aandachtspunt is dat de onteigende partij voortaan op eigen initiatief rechtsmaatregelen moet nemen  tegen de (ontwerp)onteigeningsbeschikking. Als de onteigende dat bewust of onbewust nalaat, bijvoorbeeld omdat deze de beroepstermijn mist, dan staat de onteigening in beginsel onherroepelijk vast. Er is discussie gaande in de literatuur over de vraag of dit niet een beperking oplevert van de rechtsbescherming van de onteigende.