De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft de door de gemeenten Aa en Hunze en Borger-Odoorn ingediende vordering om de Staat te verbieden verder medewerking te verlenen aan de planologische medewerking aan het windturbinepark Drentse Monden en Oostermoer afgewezen. De voorzieningenrechter acht de rijkscoördinatieregeling (“RCR”) wel van toepassing.

1.1. Juridisch kader

De RCR is van toepassing op een productie-installatie met een capaciteit van ten minste 100 MW, indien het betreft een installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie (art. 9b, lid 1, sub a Elektriciteitswet 1998 (“E-wet”)). Als de RCR van toepassing is, coördineert de verantwoordelijk minister de besluitvorming nodig voor het windturbinepark en wordt een rijksinpassingsplan opgesteld. Een productie-installatie is in de E-wet gedefinieerd als “een installatie, bestaande uit één of meer productie-eenheden, voor de opwekking van elektriciteit” (art. 1, lid 1, sub ah E-wet). De E-wet bevat geen definitie van een productie-eenheid, maar in de wetsgeschiedenis is er wel het volgende over opgenomen:

Click here to view image.

1.2. Vordering

De gemeenten stellen dat de Staat onbevoegd is om met toepassing van de RCR een rijksinpassingsplan vast te stellen voor het windturbinepark. Volgens de gemeenten voldeed het windturbinepark niet aan de eis van één productie-installatie voor de toepassing van de RCR. De gemeenten wezen er daarbij op dat er drie verschillende initiatiefnemers zijn, de lijnopstellingen soms op grote afstand van elkaar liggen en tussen de lijnopstellingen geen technische of functionele verbindingen bestaan. Daarbij betogen de gemeenten dat voor de invulling van één productie-installatie aansluiting moet worden gezocht bij het inrichtingenbegrip in de Wet milieubeheer.

1.3. Oordeel van de voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter wijst de vordering van de gemeenten af. Volgens de voorzieningenrechter bieden wet(sgeschiedenis) en jurisprudentie geen grond voor de stelling dat moet worden aangesloten bij het inrichtingenbegrip uit de Wet milieubeheer. Uit het gebruik van het woord “of” in de wetsgeschiedenis, zoals hiervoor geciteerd, leidt de voorzieningenrechter juist af dat geen sprake is van cumulatieve eisen voor de beoordeling van één productie-installatie.

Vervolgens stelt de voorzieningenrechter op grond van de geografische samenhang vast dat sprake is van één productie-installatie. Hiervoor is de positionering van de windturbines doorslaggevend, waarbij de windturbines in lijnen worden opgesteld, parallel aan de bebouwingslinten en kanalen ter plaatse en binnen een logisch afgebakend gebied. Ondanks een grote afstand tussen de meest noordelijke en zuidelijke lijnopstelling, die het gevolg is van de omvang van het windturbinepark en tussengelegen lijnopstellingen, is sprake van geografische samenhang. Het doet er vervolgens niet meer toe in hoeverre er nog sprake is van technische, functionele of organisatorische samenhang.

1.4. Conclusie

De uitspraak van de voorzieningenrechter is winst voor de realisatie van grootschalige windturbineparken in Nederland. Deze windturbineparken bestaan niet zelden uit samenwerkingsverbanden tussen meerdere initiatiefnemers, die in het kader van de RCR hun initiatieven op elkaar afstemmen om te komen tot één goed inpasbaar windturbinepark. De toepassing van de RCR is dan ook veelal winst voor de omgeving, vanwege de onderlinge afstemming van de initiatieven. De door de voorzieningenrechter gegeven invulling aan de eisen voor één productie-installatie biedt initiatiefnemers een werkbaar kader en sluit aan bij de bedoeling van de wetgever om grootschalige windturbineparken binnen de RCR tot stand te laten komen.