Om te komen tot een verantwoorde ruimtelijke verdeling van verschillende functies kent het omgevingsrecht regels die verplichten om bepaalde afstanden aan te houden, bijvoorbeeld tussen industrie en wonen. Een voorbeeld daarvan is te vinden in de Wet geurhinder en veehouderij. ‘Geurgevoelige objecten’ worden op grond van die wet beschermd tegen geurhinder vanwege veehouderijen. De wet kent onder meer afstandsnormen van 100 meter binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom. Deze afstandsnormen zijn ook van belang bij het vaststellen van bestemmingsplannen.

Voor de vraag of die afstandsnorm van toepassing is, is een uitleg van het begrip ‘geurgevoelig object’ noodzakelijk. In de afgelopen jaren heeft de Afdeling een wisselende koers gevaren en was het niet altijd even duidelijk wat wel en wat niet een geurgevoelig object was. Uit een uitspraak van 18 februari 2015 blijkt dat recreatiewoningen nog steeds worden gezien als geurgevoelige objecten.

Definitie geurgevoelig object

In de Wet geurhinder en veehouderij is de volgende definitie opgenomen:

“gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt (…)”

Eerdere jurisprudentie

In 2009 heeft de Afdeling geoordeeld dat een recreatiewoning als een geurgevoelig object in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij moet worden gezien. Ook gebouwen die niet dienen tot permanent verblijf vallen volgens de Afdeling onder de door de wetgever beoogde bescherming tegen geurhinder. In uitspraken daarna kwam de Afdeling tot het oordeel dat ook een korte verblijfsduur tot bescherming leidt, voor zover sprake is van een ten minste regelmatig verblijf. Dat was bijvoorbeeld zo bij een passantenhaven met daarbij behorende gebouwen.

In 2013 ging de Afdeling ‘om’. In die uitspraak oordeelde de Afdeling expliciet dat zij, anders dan bijvoorbeeld in de uitspraak over de passantenhaven, toch van oordeel is dat de Wet geurhinder en veehouderij alleen bescherming biedt aan personen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen. Sanitaire voorzieningen en een opslaggebouw op een kampeerterrein zijn gebouwen waar niet langdurig door een persoon worden verbleven, en die dus niet als geurgevoelig object kwalificeren.

Uitspraak 18 februari 2015

Vanwege de sinds 2013 nieuwe jurisprudentielijn van de Afdeling dacht de raad van de gemeente Hollands Kroon dat recreatiewoningen en vaste kampeermiddelen zoals stacaravans die niet jaarrond mogen worden gebruikt, niet meer onder de definitie van een geurgevoelig object vielen. De raad heeft dan ook een bestemmingsplan vastgesteld waarmee een uitbreiding van deze functies bij een campingterrein mogelijk werden. De nabijgelegen veehouderij stelde beroep in tegen de vaststelling van het bestemmingsplan.

Hoewel de recreatiewoningen en vaste kampeermiddelen niet jaarrond mogen worden gebruikt op grond van het plan, mogen ze wel tot 250 dagen per jaar worden gebruikt. De Afdeling oordeelt dan ook dat er wel langdurig in de gebouwen kan worden verbleven, en dat het dus wel geurgevoelige objecten zijn. Daarbij verwijst de Afdeling naar de eerdere uitspraak uit 2013, waar volgens haar niet uit mag worden afgeleid dat recreatiewoningen geen geurgevoelige objecten zijn:

“Uit die uitspraak, die betrekking had op de geurgevoeligheid van een sanitairgebouw en gebouwen voor onderhoud en beheer op een camping, kan echter niet worden afgeleid dat de Afdeling recreatiewoningen niet meer als geurgevoelig object in de zin van de Wgv aanmerkt.”

Conclusie

Kortom, recreatiewoningen zijn nog steeds geurgevoelige objecten. Mogelijk is dit anders als het verblijf aanzienlijk wordt beperkt en er niet meer sprake is van langdurig verblijf. Daarvoor is dan wel een verdere beperking nodig dan 250 dagen per jaar.