Op 24 april 2017 treedt het wijzigingsdecreet van 9 december 2016 houdende wijziging van diverse decreten, wat de optimalisatie van de organisatie en de rechtspleging van de Vlaamse bestuurscolleges betreft, en het bijhorende uitvoeringsbesluit, in werking.

Een wijziging van het rolrecht, de vereiste van het "belang bij een middel" en de invoer van een rechtsplegingsvergoeding: het zijn maar enkele van de nieuwigheden die het wijzigingsdecreet voorziet.

Met behulp van wijzigingen en vernieuwingen optimaliseert de Vlaamse decreetgever het decreet betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, beter gekend als het "DBRC-decreet", verder. Op deze manier worden de groeipijnen en vaste gebruiken van het DBRC-decreet, die twee jaar na de inwerkingtreding duidelijk werden, decretaal verwerkt. Tegelijk paste de Vlaamse regering ook het besluit van de Vlaamse Regering over de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (het "Procedurebesluit") aan.

Met de wijzigingen beoogt men nauwer aan te sluiten bij het Omgevingsvergunningsdecreet, dat op 23 februari 2017 zijn intrede deed. Het is immers de inschatting dat de omgevingsvergunning heel wat extra werk voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen met zich mee zal brengen, vermits de Raad voor Vergunningsbetwistingen exclusief bevoegd is om kennis te nemen van jurisdictionele beroepen tegen alle omgevingsvergunningen.

Ondertussen heeft de Vlaamse regering tevens het wijzigende uitvoeringsbesluit goedgekeurd, waarin onder meer de bedragen voor rechtsplegingsvergoedingsbedragen worden vastgesteld.

Hierna vindt u een overzicht van de wijzigingen.

Met het wijzigingsdecreet van 9 december 2016 heeft de Vlaamse decreetgever een aantal wijzigingen van het DBRC-decreet voorzien. De voornaamste wijzigingen kunnen als volgt worden samengevat:

  • de decretale verankering van de vereiste van belang bij het opgeworpen middel;
  • het wijzigen en verhogen van de regeling inzake het rolrecht, met vaste bedragen in plaats van indexatie:
verzoekschrift tot nietigverklaring verzoekschrift tot schorsing verzoekschrift tot tussenkomst

Wie voortaan een verzoekschrift tot nietigverklaring bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen wenst in te dienen, betaalt dus €25 meer;

  • de mogelijkheid van behandeling van alle aangevoerde middelen "die nuttig zijn";
  • een verduidelijking van het onderscheid tussen "de hoogdringendheid" bij een ‘gewone’ schorsingsprocedure (waarbij moet worden aangetoond dat de afhandeling van vernietigingsprocedure te laat zal komen om het aangevoerde nadeel te verijdelen) en "de uiterst dringende noodzakelijkheid" (waarbij moet worden aangetoond dat de behandelingstermijn van een "gewone" vordering tot schorsing ontoereikend is om het aangevoerde nadeel te vermijden);
  • geen beroepsmogelijkheid meer voor het vergunningverlenend bestuur dat een stilzwijgende beslissing verleende;
  • de mogelijkheid voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen om onmiddellijk in het arrest dwangsommen te bevelen (voorheen was hiervoor een nieuw verzoekschrift vereist);
  • het nader uitwerken van het injunctierecht voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen, waarbij de Raad voor Vergunningsbetwistingen een termijn voor een herstelbeslissing kan opleggen;
  • de invoer van een rechtsplegingsvergoeding (RPV), waarvoor de Vlaamse regering de bedragen reeds voorlopig goedkeurde.

De meest opmerkelijke wijziging aan het DBRC-decreet is wellicht de invoer van een rechtsplegingsvergoeding bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Voortaan kan een in het gelijk gestelde partij zijn advocatenkosten en honoraria terugvorderen in dezelfde procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen. De Raad voor Vergunningsbetwistingen treedt hiermee in de voetsporen van de civiele rechtbanken en de Raad van State.

De basisbedragen voor de rechtsplegingsvergoeding werden vastgesteld in het uitvoeringsbesluit bij het wijzigingsdecreet, en kunnen als volgt worden samengevat:

minimumbedrag basisbedrag maximumbedrag

Deze bedragen kunnen wel door de Raad voor Vergunningsbetwistingen aangepast worden, bijv. omwille van de complexiteit van het dossier of de aard- of de omvang van het dossier.

Ook worden deze bedragen verhoogd met met 20 procent, als het beroep tot nietigverklaring gepaard gaat met een schorsing bij hoogdringendheid of een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid (waarbij de verhoging echter niet meer mag bedragen dan 140 procent van het basis-, minimum- of maximumbedrag).

Tussenkomende partijen kunnen nooit een rechtsplegingsvergoeding vorderen.

Het wijzigingsdecreet van 9 december 2016 treedt in werking op 24 april 2017. Ook het uitvoeringsbesluit dat het Procedurebesluit aanpast en de concrete bedragen voor de rechtsplegingsvergoeding oplijst, treedt in werking op 24 april 2017.

Of het wijzigingsdecreet en het bijhorende besluit daadwerkelijk tot een optimalisatie (en minder beroepen) zullen leiden, valt nog even af te wachten. Bovendien hebben verschillende actiegroepen tegen enkele bepalingen van het wijzigingsdecreet een beroep tot vernietiging bij het Grondwettelijk Hof ingesteld (rolnummer 6615).