De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het bestemmingsplan voor het windpark Den Tol Netterden vernietigd, omdat niet op de juiste wijze was omgegaan met een in Duitsland gelegen Natura 2000-gebied. Voor het bepalen van de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied was namelijk uitgegaan van het verkeerde document en de aangenomen afstand tussen windpark en natuurgebied was onjuist.

Alvorens in te gaan op dit punt, komen eerst twee andere onderwerpen ter sprake, namelijk de ontvankelijkheid van een omwonende en de mogelijkheid om geen minimum ashoogte, tiphoogte en omvang van rotorbladen op te nemen in een bestemmingsplan.

Omwonende op 850 meter afstand

Windturbines zijn op grote afstand te zien. Regelmatig komt de vraag naar voren op welke afstand nog sprake kan zijn van een belanghebbende bij besluitvorming voor dergelijke windturbines. In deze zaak betreft het een appellant die woont op een afstand van 850 meter.

De ontwikkelaar van het windpark acht deze appellant niet ontvankelijk, omdat er vanwege een bedrijfsgebouw geen zicht is op de voorziene windturbines. Verder blijkt uit onderzoek dat deze appellant niet hoeft te vrezen voor een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat.

De appellant wijst er zelf op dat vanaf de bovenverdieping van de woning zicht is op de voorziene windturbines. De Afdeling acht dit niet onaannemelijk gelet op de afstand van de woning tot het bedrijfsgebouw en de voorziene windturbines in samenhang met de hoogte van de windturbines. Ook had de ontwikkelaar het eigen standpunt niet nader onderbouwd. Verder is de afstand van de woning tot het windpark gezien de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkeling niet zodanig dat effecten op de appellanten zijn uitgesloten.

De Afdeling acht deze partij, wonend op 850 meter, dus een belanghebbende en ontvankelijk in beroep. Niettemin is de aanpak van de ontwikkelaar in deze terecht: de specifieke situatie kan aanleiding geven om een partij niet-ontvankelijk te verklaren.

Minimum afmetingen windturbine

In het bestemmingsplan zijn voor de te realiseren windturbines geen minimale afmetingen opgenomen voor de ashoogte, tiphoogte en omvang van de rotorbladen. Oftewel, uit de planregels volgt wel wat maximaal mogelijk is, maar niet wat minimaal moet worden geplaatst. Appellant vindt dit onterecht en wijst naar de mogelijkheid dat kleine windturbines meer overlast met zich brengen dan grote windturbines.

De Afdeling leest in het MER dat met het verhogen van de mast- en tiphoogte van een windturbine de milieuruimte van een windturbine toeneemt. Zo is de afstand waarop een windturbine geluid- en slagschaduwhinder kan veroorzaken bij een grote turbine groter dan bij een kleine turbine. De Afdeling ziet in de niet met concrete gegevens onderbouwde stelling van appellant dat een kleinere windturbine meer overlast kan veroorzaken geen reden om aan het MER te twijfelen. Er hoeft dan ook niet ter voorkoming van onaanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat een minimale omvang van windturbines in het plan opgenomen te worden.

Het lijkt dus niet noodzakelijk om in een planologisch besluit minimale afmetingen van een windturbine op te nemen. Gezien de overweging van de Afdeling is dit niet zonder risico: het is niet uitgesloten dat een appellant wél met concrete gegevens aantoont dat kleinere windturbines andere of grotere milieueffecten heeft. Het is dan ook aan te raden om toch te werken met minimale afmetingen, vooral als het eigen milieuonderzoek hiertoe aanleiding lijkt te geven.

Natura 2000-gebied

Het te realiseren windpark is voorzien op een afstand van 265 meter van het Duitse Natura 2000-gebied Unterer Niederrhein. Appellanten brengen verschillende beroepsgronden gericht tegen de wijze waarop in de besluitvorming is omgegaan met dit gebied naar voren, die ook slagen:

  • In de passende beoordeling voor het windpark is voor de instandhoudingsdoelstellingen gekeken naar het standardgegevensformulier van het Natura 2000-gebied. Ter zitting heeft de raad erkent dat de instandhoudingsdoelstelling ontleend moeten worden van het zogeheten Maßnajmenkonzept für das EU-Vogelschutsgebiet Unterer Niederrhein en erkent de raad dat niet de juiste, voor sommige soorten te lage, instandhoudingsdoelstellingen zijn vermeld in de passende beoordeling;
  • In de ecologische quickscan was een afstand van 500 meter opgenomen tussen het windpark en het Natura 2000-gebied. De Afdeling stelt deze afstand echter vast op 265 meter. Het plan is volgens de raad na het opstellen van de ecologische quickscan nog gewijzigd met de verkleining van de tussenliggende afstand tot gevolg. De passende beoordeling is niettemin ook uitgegaan van een afstand van 500 meter, waardoor op onjuiste gronden is gesteld dat het plan geen significante effecten heeft op de relevante vogelsoorten.

Kortom, het is essentieel om uit te gaan van de juiste, actuele informatie ter onderbouwing van het planologische besluit. Het is daarbij wel mogelijk om het windpark zelf gedurende de planvorming nog aan te passen, maar vervolgens moeten deze aanpassingen wel worden doorgevoerd in de onderliggende onderzoeken.

Afronding

Het realiseren van een windpark vereist gedegen onderzoek naar de effecten daarvan op de omgeving. Dit is niet alleen het geval bij grote windparken, maar ook bij relatief kleinere windparken, zoals windpark Den Tol met 10 windturbines. De omvang van het windpark is dan ook niet enkel bepalend voor het onderzoek: de omgeving van het windpark is net zozeer van belang voor de omvang van het te verrichten milieuonderzoek.