In een arrest van 6 mei 2016, heeft het Arbeidshof te Luik de situatie onderzocht van een werknemer die de betaling van zijn overuren vroeg aan zijn ex-werkgever. Deze laatste betwistte de gegrondheid van de vraag van de werknemer, omdat hij de mening was toegedaan dat de werknemer geen bewijs overlegde van de overuren en hij in ieder geval deel uitmaakte van het personeel met een leidende functie of vertrouwenspost.

Na te hebben overwogen dat de werknemer het bewijs van de overuren wel degelijk overlegde, stelde het Hof niettemin vast dat de werknemer effectief een leidende functie of vertrouwenspost bekleedde. In dit verband, herinnert het Hof aan een debat in de rechtspraak inzake de behandeling van de gepresteerde overuren door personeel met een leidende functie of vertrouwenspost: bepaalde rechtspraak overweegt dat geen enkele vergoeding verschuldigd is voor de overuren gepresteerd door deze personen, terwijl andere rechtspraak erkent dat - hoewel er geen overloon verschuldigd is voor deze uren – het normale loon wel verschuldigd is.

In voorliggend geval, sluit het Arbeidshof te Luik zich aan bij de tweede strekking. Het oordeelt dat het recht op het normale loon voor de overuren door de werknemer kan worden gevorderd, indien hij zijn eis steunt op een andere rechtsgrond dan de wet van 16 maart 1971, met name op de arbeidsovereenkomst, op een gebruik of zelfs op de billijkheid.

Dit arrest herinnert ons eraan dat de werkgever zich blootstelt aan vorderingen tot betaling van het (normale) loon voor de overuren gepresteerd door het personeel met een leidende functie of vertrouwenspost, indien de arbeidsovereenkomst of een gebruik binnen de onderneming (of zelfs de bijllijkheid) de werknemer toelaten om dit te eisen.

Het zal aldus aan elke werkgever toekomen om de situatie van zijn onderneming te onderzoeken teneinde hierop te anticiperen, en, indien mogelijk, dergelijke vorderingen te vermijden.