​Het dragen van een hoofddoek op het werk: de ene werkgever maakt het niet uit, de ander wil het niet hebben. Maar mag je het dragen van een hoofddoek verbieden? Het hoofddoekverbod houdt de gemoederen weer flink bezig. De uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens eind mei zwengelde de discussie al aan, maar de conclusie van de advocaat-generaal van het Hof van de Justitie van de Europese Unie heeft zo mogelijk nog meer stof doen opwaaien.

Geen onderscheid op grond van godsdienst

Het dragen van een kruisje, keppeltje of hoofddoek geldt als een uiting van een geloofsovertuiging en wordt daarom beschermd door de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB). 

De AWGB bepaalt dat de werkgever geen direct en indirect onderscheid op grond van godsdienst mag maken. Van direct onderscheid is sprake indien een persoon op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op grond van godsdienst. Van indirect onderscheid is sprake als een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde godsdienst in vergelijking met andere personen bijzonder treft. 

Waar direct onderscheid op grond van godsdienst te allen tijde verboden is, is indirect onderscheid toegestaan als het onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Het College en de advocaat-generaal van het Hof EU hebben zich recentelijk uitgelaten of dit ruimte laat voor een hoofddoekverbod op de werkvloer. 

Afwijzen sollicitant vanwege hoofddoek

Het College moest oordelen of de rechtbank Rotterdam een vrouw discrimineerde door haar af te wijzen voor de functie van griffier omdat zij een hoofddoek draagt. De rechtbank hanteert kledingvoorschriften die het ter zitting dragen van ieder zichtbaar en herkenbaar teken van persoonlijke overtuiging verbiedt. Toen de vrouw tijdens het sollicitatiegesprek vertelde dat zij vanwege haar islamitische geloofsovertuiging haar hoofddoek niet af wil doen tijdens een zitting, werd ze dan ook afgewezen voor de functie van griffier. 

Door kledingvoorschriften te hanteren die elk teken van persoonlijke overtuiging uitsluit, maakt de rechtbank indirect onderscheid op grond van godsdienst. Volgens de rechtbank was hier echter sprake van een objectieve rechtvaardiging, omdat zij met deze kledingvoorschriften de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak wenst te waarborgen en iedere schijn van het tegendeel wil vermijden, om daarmee het vertrouwen van rechtzoekenden in de rechtspraak te bevorderen.

Volgens het College vormt de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak weliswaar een zwaarwegend belang, maar staat daar tegenover het belang van de vrouw om toegang te hebben tot de functie van griffier zonder in strijd met haar godsdienstige overtuiging te hoeven handelen. Naar het oordeel van het College is het verbod op het dragen van een hoofddoek dan ook een te zware functie-eis voor een griffier en is dit verbod niet noodzakelijk om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak te waarborgen, temeer omdat de griffier geen onderdeel uitmaakt van de rechterlijke macht. 

Aldus was er volgens het College geen objectieve rechtvaardiging voor het hoofddoekverbod en heeft de rechtbank de vrouw gediscrimineerd door haar af te wijzen voor de functie van griffier vanwege haar hoofddoek. 

Overigens heeft de rechtbank het oordeel van het College naast zich neergelegd en daarop de volgende toelichting gegeven: 

“De gerechtsbesturen en de Raad voor de rechtspraak hebben afgesproken dat het togabesluit strikt wordt nageleefd en dat rechters en griffiers de toga niet combineren met tekenen waaruit hun levensovertuiging of andere levensopvatting blijkt, zoals een keppeltje, een hoofddoek of een kruisje. Of het gaat om een religieuze of andere overtuiging doet daarbij niet ter zake (…). De wetgever heeft terecht bij het togabesluit geen onderscheid gemaakt tussen rechter en griffier. Aan de volstrekte neutraliteit van rechtspraak kan geen concessie worden gedaan.” 

Ontslag wegens dragen hoofddoek

Ook bij het Hof EU speelt nu een zaak waarin het hoofddoekverbod centraal staat. Op 31 mei 2016 is de conclusie van de advocaat-generaal verschenen, hetgeen als een advies aan het Hof EU valt te beschouwen.

In deze kwestie gaat het om een moslima die als receptioniste werkzaam was bij de Belgische firma G4S Secure. Toen zij reeds drie jaar bij G4S werkte, wilde ze voortaan een hoofddoek op het werk dragen. Daarop werd ze door de werkgever ontslagen, nu het op basis van het bedrijfsreglement bij G4S verboden is om zichtbare religieuze, politieke en filosofische tekenen te dragen. 

De advocaat-generaal concludeert dat er geen sprake is van directe discriminatie op grond van godsdienst wanneer het een islamitische werkneemster wordt verboden op het werk een hoofddoek te dragen, voor zover dit verbod is gebaseerd op een algemeen bedrijfsreglement dat ertoe strekt zichtbare politieke, filosofische en religieuze tekenen op het werk te verbieden en dit verbod niet berust op stereotypen of vooroordelen tegenover een of meer specifieke godsdiensten dan wel tegenover religieuze overtuigingen in het algemeen. In zo een geval is namelijk geen sprake van een ongunstigere behandeling op grond van godsdienst.

Volgens de advocaat-generaal kan dit hoofddoekverbod wel indirecte discriminatie op grond van godsdienst opleveren. Deze discriminatie kan volgens haar echter gerechtvaardigd zijn door het streven een door de werkgever in het betrokken bedrijf gevoerd legitiem beleid van religieuze en levensbeschouwelijke neutraliteit te handhaven, mits daarbij het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen. 

En nu?

De conclusie van de advocaat-generaal is opzienbarend. Dit zou immers betekenen dat als een hoofddoekverbod is gebaseerd op een algemeen bedrijfsreglement waarmee de werkgever de religieuze neutraliteit in de onderneming wens te handhaven, dit verbod gerechtvaardigd zou zijn. Dit sluit ook aan bij de door de rechtbank op haar website gepubliceerde verklaring. 

De deur naar het hoofddoekverbod op de werkvloer wordt zodoende wijd opengezet door de advocaat-generaal. Nu haar conclusie het Hof EU niet bindt, zullen we nog even moeten wachten op de gewenste duidelijkheid. Wordt dus vervolgd...