Op 19 februari werd in het Belgisch Staatsblad het tweede deel van het geplande Potpourri-vierluik van Minister van Justitie Koen Geens gepubliceerd: de “Wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie”. Met de Potpourri II-wet zet de Minister een nieuwe stap in het uitrollen van “zijn” Justitieplan, een plan om de werklast van justitie te verminderen en de procedures efficiënter te maken, dit zonder te raken aan de fundamentele rechten van de partijen.

Het wetsontwerp kwam de afgelopen maanden vooral in de pers vanwege de controverse rond de invoer van de veralgemeende correctionaliseerbaarheid en de daaruit voortvloeiende uitholling van de rol van het Hof van Assisen. Voor de praktijk van het ondernemingsstrafrecht zijn echter voornamelijk de volgende wijzigingen van belang:

Also available in French

  • Rechtsmiddelen   

Verstek & Verzet - Door de wetswijziging wordt de mogelijkheid beperkt om verzet aan te tekenen tegen verstekvonnissen van de politierechtbank en correctionele rechtbank. Voortaan zal het rechtsmiddel van verzet enkel nog mogelijk zijn indien de afwezigheid op de zitting (“het verstek”) te wijten is aan ‘overmacht’ of is ingegeven door een ‘wettige reden’. Deze begrippen werden door de wetgever niet gedefinieerd en zullen dus door de rechtspraak worden ingevuld. In elk geval zal het openbaar ministerie wel moeten kunnen aantonen dat de beklaagde die gedaagd werd, kennis had van de zitting. Verder is vereist dat de partij die verzet heeft aangetekend, in persoon of via zijn raadsman aanwezig is op de zitting waarop het verzet wordt behandeld. Tegen een vonnis waarbij het verzet wordt afgewezen, staat wel hoger beroep op.

Hoger beroep - De wetgever heeft ook gesleuteld aan de regels inzake het hoger beroep in strafzaken. Voortaan geldt een beroepstermijn van 30 dagen te tellen vanaf de dag volgend op het vonnis (of op de betekening ingeval van een verstekvonnis). Het openbaar ministerie beschikt bovendien over een bijkomende termijn van 10 dagen indien het een zgn. ‘volgappel’ wil instellen tegen een eerder hoger beroep van de beklaagde of burgerrechtelijk aansprakelijke partij. Verder krijgt de burgerlijke partij eveneens een bijkomende termijn van 10 dagen (i.p.v. 5 dagen) om hoger beroep in te stellen tegen de beklaagden of burgerrechtelijk aansprakelijke partij die zij in de zaak wil houden. De verlenging van de beroepstermijn werd ingegeven door het feit dat de partijen voortaan bij het aantekenen van het hoger beroep hun specifieke grieven tegen het bestreden vonnis moeten opgeven. Deze oplijsting van grieven zal de saisine van de beroepsrechter bepalen. Indien de grief bvb. enkel betrekking heeft op de strafmaat, zal de schuldvraag niet meer voorwerp zijn van debat voor de beroepsrechter. De appelrechter zal wel nog bepaalde zaken ambtshalve moeten controleren, zoals o.m. zijn bevoegdheid, de kwalificatie van de feiten en de verjaring van de strafvordering. Partijen zullen voortaan via een verklaring ter griffie ook afstand kunnen doen van hun hoger beroep, of de draagwijdte ervan kunnen beperken.

Cassatieberoep - Tenslotte wordt de mogelijkheid om cassatieberoep aan te tekenen in de fase van het vooronderzoek sterk ingeperkt. Zo kan geen onmiddellijk cassatieberoep meer worden aangetekend tegen arresten van de Kamer van Inbeschuldigingstelling inzake de regeling van de rechtspleging, de zuivering van de nietigheden of de controle op de bijzondere opsporingsmethoden. Al deze cassatieberoepen zullen thans pas mogelijk zijn na een einduitspraak ten gronde. Ook voor de inverdenkinggestelde die naar de correctionele rechtbank wordt verwezen, wordt het onmiddellijk cassatieberoep afgeschaft.

  • Conclusies in strafzaken 

Het Wetboek van Strafvordering gaat er in principe van uit dat een strafzaak zowel in eerste aanleg als in graad van beroep op de eerste zitting wordt behandeld. In de praktijk is dit echter doorgaans niet het geval en wordt de zaak vaak uitgesteld zodat partijen zich beter kunnen voorbereiden en eventueel conclusies kunnen uitwisselen. Om dit efficiënter te laten verlopen, introduceert de Potpourri II-wet het principe van dwingende conclusietermijnen in de strafprocedure. Het basisprincipe van de onmiddellijke behandeling op de inleidingszitting blijft daarbij wel behouden: enkel wanneer partijen voor de inleidingszitting nog niet hebben geconcludeerd en dit alsnog willen doen, dient een conclusiekalender te worden bepaald. De partijen kunnen hierover mondeling hun opmerkingen geven en de rechter legt dan de conclusietermijnen en de pleitdatum vast. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. Binnen de door de rechter bepaalde termijnen moeten de conclusies ter griffie worden neergelegd en worden overgemaakt aan het openbaar ministerie (indien ze betrekking hebben op de strafvordering) en aan de andere betrokken partijen. Dezelfde regel geldt voor het openbaar ministerie. 

De conclusies moeten bovendien worden opgesteld overeenkomstig de in het burgerlijk procesrecht opgelegde wettelijk bepaalde structuur van de argumentatie (artikel 743 en het door de Potpourri I- wet gewijzigde artikel 744 Gerechtelijk Wetboek).

Conclusies die te laat – buiten de opgelegde termijnen – worden neergelegd of meegedeeld, zullen ambtshalve uit de debatten moeten worden geweerd. De strafrechter zal dan niet moeten antwoorden op de middelen die in de conclusie worden ingeroepen. Tenzij de rechter zou vaststellen dat dit louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van andere partijen of het verloop van de rechtspleging schendt, voorziet de Potpourri II-wet echter twee gevallen waarin toch conclusies buiten termijn kunnen worden neergelegd, d.i. (1) in geval van akkoord van de betrokken partijen of (2) bij ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe conclusies rechtvaardigt (denk bijvoorbeeld aan een verhoor van een deskundige dat leidt tot nieuwe inzichten). De rechter kan in deze gevallen nieuwe conclusietermijnen en een nieuwe rechtsdag bepalen.   

  • Guilty plea 

De Potpourri II-wet voert een voor het Belgisch recht volledig nieuwe procedure in: de procedure van voorafgaande erkenning van schuld (of “Guilty plea”). Deze procedure houdt in dat de procureur des Konings aan een verdachte of beklaagde een straf voorstelt, die lager ligt dan deze die gevorderd zou worden in de rechtbank. In ruil daarvoor dient de verdachte of beklaagde schuld te bekennen voor het misdrijf dat het onderwerp uitmaakt van de vervolging. In geval van akkoord ondertekenen de procureur des Konings, de verdachte of beklaagde en diens advocaat een overeenkomst. Deze moet vervolgens gehomologeerd worden door een rechter tijdens een rechtszitting, waarbij ook de eventuele slachtoffers aanspraak kunnen maken op een vergoeding voor de geleden schade.  

Deze procedure kan evenwel geen toepassing vinden indien de straf die het Openbaar Ministerie in concreto zou vorderen hoger ligt dan 5 jaar gevangenisstraf. Ook voor bepaalde ernstige feiten (bijvoorbeeld: doodslag, moord, gewelddelicten of misdrijven gepleegd op of met minderjarigen) komt de beklaagde of verdachte niet in aanmerking voor deze procedure. Tenslotte is de “Guilty plea” niet meer mogelijk nadat een eindvonnis is gewezen in eerste aanleg.    

  • Minnelijke schikking

Deze buitengerechtelijke afhandelingswijze, die de procureur des Konings toelaat de verdachte of beklaagde een voorstel te doen tot het betalen van een geldsom in ruil voor het verval van de strafvordering, heeft twee belangrijke wijzigingen ondergaan: in de eerste plaats is een minnelijke schikking voortaan enkel nog mogelijk als er nog geen eindvonnis gewezen is in eerste aanleg (de minnelijke schikking is dus niet langer mogelijk in graad van beroep). In de tweede plaats wordt de minnelijke schikking nu ingeschreven in het strafregister, dit evenwel zonder opgenomen te worden in de uittreksels van het strafregister die aan administratieve overheden of particulieren kunnen worden meegedeeld.    

  • Aanpassing van de mini-instructie

Via de mini-instructie kan de procureur des Konings de onderzoeksrechter vorderen een onderzoekshandeling te verrichten zonder hiervoor een gerechtelijk onderzoek (i.e. een onderzoek gevoerd door de onderzoeksrechter) te openen. Het Openbaar Minister kan bijvoorbeeld via de mini-instructie een autopsie laten verrichten of overgaan tot het opsporen van telecommunicatie. De Potpourri II-wet breidt de lijst met handelingen die binnen het toepassingsgebied van de mini-instructie vallen uit met de huiszoeking.    

  • Beslag bij equivalent 

In de laatste jaren paste de wetgever de regels m.b.t. het beslag en de verbeurdverklaring al verschillende keren aan om de voordeelsontneming van misdrijven te optimaliseren. De Potpourri II-wet voert nu verdere aanpassingen door aan de regels omtrent het beslag bij equivalent zoals vervat in artikel 35ter van het Wetboek van Strafvordering. 

In de eerste plaats voert de Potpourri II-wet enkele tekstuele wijzigingen door aan artikel 35ter van het Wetboek van Strafvordering. Daar waar art. 35ter, §1 Wetboek van Strafvordering voordien bepaalde dat beslag bij equivalent kon worden gelegd ten belope van “het bedrag van de vermoedelijke opbrengst van het misdrijf”, bepaalt het nieuwe artikel 35ter dat beslag kan worden gelegd ten belope van “het vermoedelijke bedrag van voornoemd vermogensvoordeel”. 

In de tweede plaats voegt de wetgever aan art. 35ter, §1 Wetboek van Strafvordering een nieuw lid toe waarin wordt bepaald dat de regels m.b.t. het beslag bij equivalent ook van toepassing zijn op de zaken die het voorwerp zijn van de misdrijven van heling en witwassen. 

De wet treedt tien dagen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad in werking (dus op 29 februari 2016). Voor bepaalde wijzigingen binnen de Potpourri II-wet (o.a. het verstek en het verzet) dient evenwel rekening gehouden te worden met een aantal overgangsbepalingen.