Het vervangen van een vergunningplicht door algemene regels is doorgaans reden om te juichen. Bij activiteiten die voorheen in een milieuvergunning moesten worden geregeld, maar nu zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer ('Activiteitenbesluit') geldt dat des te meer. Zowel voor de drijver als voor het bevoegd gezag wordt het namelijk overzichtelijker. Het overgangsrecht kan soms echter voor hoofdbrekens zorgen. Moet het bevoegd gezag de omgevingsvergunning intrekken? Of vervalt de omgevingsvergunning gewoon van rechtswege? Dat zal per geval verschillen. In dit stuk leest u in vijf minuten hoe het overgangsrecht bij het Activiteitenbesluit in elkaar zit.

Er zijn twee situaties waar het overgangsrecht een belangrijke rol speelt. Ten eerste de situatie dat een inrichting eerst milieuvergunningplichtig was (type C) maar dat door een wijziging in het Activiteitenbesluit niet meer is (type A of B). Ten tweede de situatie dat een inrichting eerst milieuvergunningplichtig was, maar dat door een reductie in de omvang van de activiteiten niet meer is.

Verval van rechtswege door wijziging Activiteitenbesluit

Per 1 januari 2016 is alweer de vierde tranche van het Activiteitenbesluit in werking getreden. Deze tranche zal niet de laatste zijn, nu het de bedoeling is dat zo veel mogelijk activiteiten via het Activiteitenbesluit worden gereguleerd in plaats van via de omgevingsvergunning voor een inrichting (artikel 2.1, eerste lid, onder e, Wabo – de 'milieuvergunning'). Als een activiteit eerst vergunningplichtig was maar dat nu niet meer is, dan vervalt de milieuvergunning (of het desbetreffende voorschrift) van rechtswege. Denk aan een inrichting waar de milieuvergunning de opslag van 8.000 ton kunststofafval toestaat, terwijl het Activiteitenbesluit op enig moment van toepassing wordt op de opslag tot en met 10.000 ton. In dat geval vervalt de vergunning voor zover die ziet op het opslaan van het kunststofafval nu die activiteit door het Activiteitenbesluit wordt gereguleerd. Deze regel is 'rechtersrecht', omdat de Wabo en de Wm (sinds het schrappen van artikel 8.18 Wm) niet in een dergelijke vervalbepaling voorzien (zie bijvoorbeeld ABRvS 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:427 en ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7550). Als per 1 januari 2016 de activiteit niet meer vergunningplichtig is, dan is op die datum de vergunning van rechtswege komen te vervallen. Vanaf dat moment gelden de oude vergunningvoorschriften ingevolge artikel 6.1, eerste lid, Activiteitenbesluit overigens wel nog als maatwerkvoorschriften (tenzij dergelijke maatwerkvoorschriften niet mogen worden gesteld ingevolge het Activiteitenbesluit).

Samengevat geldt bij een wijziging van het Activiteitenbesluit dus:

Click here to view image.

Intrekking bij wijziging activiteiten inrichting

Het komt echter ook vaak voor dat een drijver van een inrichting zijn activiteiten feitelijk wijzigt naar een omvang die niet (meer) vergunningplichtig is. Denk aan een inrichting waar de vergunning de opslag van 15.000 ton kunststofafval toestaat, maar waar de activiteiten op een gegeven moment terug worden geschroefd naar 9.000 ton, terwijl het Activiteitenbesluit tot en met 10.000 ton reguleert. Dit is een iets complexere situatie. Artikel 6.1, eerste lid, Activiteitenbesluit bepaalt namelijk dat het overgangsrecht geldt vanaf het "het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit" op de inrichting. Op de vraag wanneer het Activiteitenbesluit van toepassing wordt kunnen twee antwoorden worden gegeven: op het moment dat de activiteiten feitelijk onder de drempelwaarde voor een type C inrichting komen, of op het moment dat de vergunde activiteiten onder de drempelwaarde voor een type C inrichting komt.

De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat het doen van een melding voor een wijziging van het bedrijf dat voor de activiteit in kwestie onder het Activiteitenbesluit valt, niet voldoende is als de inrichting voor het overige milieuvergunningplichtig is (ABRvS 30 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2823). In dat geval zal eerst om wijziging (of intrekking) van de milieuvergunning moeten worden gevraagd voordat kan worden volstaan met het voldoen aan het Activiteitenbesluit. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat een vergunningvoorschrift niet van rechtswege vervalt bij een feitelijke wijziging van de activiteit beneden de drempelwaarde voor een Type C inrichting, maar dat het blijft gelden tot de intrekking of wijziging van de vergunning. Dit lijkt ook de bedoeling van de Minister te zijn geweest (Stb. 2009, nr.479, p.88). De Afdeling heeft deze lezing naar mijn weten echter nog niet uitdrukkelijk bevestigd. Daarom is een recente uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland het signaleren waard (Vzr. Rb. Gelderland 29 december 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:8157). De voorzieningenrechter oordeelt (onder verwijzing naar de voormelde wetsgeschiedenis) dat:

"onderdelen van het Activiteitenbesluit eerst gaan gelden voor de inrichting op het moment dat het bevoegd gezag heeft geconstateerd dat de inrichting niet langer valt onder een categorie van inrichtingen waarvoor een vergunningplicht geldt, waarbij als constitutief vereiste heeft te gelden dat de vergunning is ingetrokken."

Samengevat geldt bij een wijziging van de activiteit dus:

Click here to view image.

Conclusie

Met name een feitelijke wijziging van de activiteiten kan tot overgangsrechtelijke hoofdpijn leiden en dan met name bij de drijver van de inrichting. Door de uitspraak van de voorzieningenrechter is er echter nu (iets) meer houvast. Mocht de Afdeling over dit onderwerp een uitspraak doen, dan zal deze blog vanzelfsprekend worden geactualiseerd.