Bij grote verbouwingen komt het vaak voor dat voor een deel van de verbouwing een omgevingsvergunning nodig is en dat een deel vergunningvrij is. Welke onderdelen moet een aanvrager dan in zijn bouwplan en aanvraagformulier aangeven? Een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:640) geeft hier antwoord op. Daarnaast gaat de Afdeling ook in op de recente wijziging van het Besluit omgevingsrecht op 1 november 2014.

Het bouwplan

In Sassenheim wil iemand zijn woning veranderen en vergroten. Op de bij de aanvraag behorende bouwtekening zijn delen van het bouwplan met wolkjes omcirkeld. Deze delen zijn volgens de aanvrager omgevingsvergunningvrij.

Het college heeft de met wolkjes omcirkelde onderdelen van het bouwplan niet betrokken bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning en dus ook niet getoetst aan de weigeringsgronden uit de Wabo.

Kan een bouwplan worden gesplitst in een omgevingsvergunningvrij en een omgevingsvergunningplichtig gedeelte?

Als hoofdregel geldt dat splitsing van een bouwplan dat uit verschillende onderdelen bestaat in beginsel niet mogelijk is. Het bouwplan dient als één geheel te worden beschouwd. Een bouwplan kan alleen worden gesplitst indien het bestaat uit onderdelen die in functioneel en bouwkundig opzicht van elkaar kunnen worden onderscheiden.

In de hier centraal staande uitspraak van de Afdeling is de vraag aan de orde of een atelier/hobbyruimte kan worden onderscheiden van de rest van het bouwplan. De Afdeling oordeelt dat dit het geval is. De atelier/hobbyruimte heeft weliswaar een deuropening naar de woonkamer en de bouwhoogte van de ruimte is gelijk aan de woonkamer, maar omdat de onderdelen van het bouwplan constructief niet met elkaar zijn verbonden en afzonderlijk van elkaar kunnen worden uitgevoerd, is de atelier/hobbyruimte in bouwkundig opzicht te onderscheiden van de woonkamer. Ook in functioneel opzicht is de ruimte te onderscheiden van de voorziene woonkamer. Hierbij acht de Afdeling de door de aanvrager in het kader van de aanvraagprocedure aan het college gegeven (nadere) informatie over het voorgenomen gebruik van de desbetreffende ruimte van belang. Op basis van deze informatie kon het college ervan uitgaan dat deze zal worden gebruikt als atelier/hobbyruimte en derhalve in functioneel opzicht los is te zien van de woonkamer.

De atelier/hobbyruimte kon dus worden gesplitst van het overige deel van het bouwplan.

Vergunningvrije delen hoeven niet in het bouwplan worden aangegeven

De Afdeling stelt voorop dat als de aanvrager onderdelen van een bouwplan buiten de aanvraag wil laten, omdat deze volgens hem vergunningvrij kunnen worden gebouwd, hij dat kan doen door deze onderdelen niet in een aanvraag op te nemen.

Hoe kunnen vergunningvrije delen toch worden opgenomen in het bouwplan en in de aanvraag?

Als vergunningvrije onderdelen toch in een aanvraag worden opgenomen dan dient uit de aanvraag onmiskenbaar te blijken voor welke onderdelen van het bouwplan wel en waarvoor geen omgevingsvergunning wordt aangevraagd en wat de oppervlakte is van het bouwplan waarvoor vergunning wordt gevraagd. Dit is nodig uit een oogpunt van rechtszekerheid van derden en ter bepaling van wat het oorspronkelijk hoofdgebouw is.

De enkele vermelding op de bouwtekening dat de met wolkjes omcirkelde onderdelen van het bouwplan omgevingsvergunningvrij zijn, is daarvoor niet afdoende, aldus de Afdeling. Op het aanvraagformulier en de bouwtekeningen moet exact en uitdrukkelijk worden weergegeven welke onderdelen buiten de aanvraag worden gelaten.

Wat moet het bestuursorgaan doen als vergunningvrije delen toch worden opgenomen in het bouwplan en in de aanvraag?

Als onderdelen van een bouwplan buiten de aanvraag om omgevingsvergunning worden gelaten, dient uit een oogpunt van rechtszekerheid uit de omgevingsvergunning te blijken welke onderdelen het bestuursorgaan niet bij de beoordeling van de aanvraag heeft betrokken en niet zijn vergund. In dit geval had het college ten onrechte volstaan met een globale omschrijving van het bouwplan in de omgevingsvergunning. Het besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand gekomen.

Wijziging van het Besluit omgevingsrecht: de fictieve krijtstreep

Op 1 november 2014 is het Besluit omgevingsrecht (Bor) gewijzigd in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet (Stb. 2014/333). Met deze wijziging zijn de mogelijkheden voor het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken op het achtererf verruimd. Naast het bijbehorende bouwwerk zelf, kan nu ook de uitbreiding ervan zonder omgevingsvergunning worden gerealiseerd. Het is dus mogelijk dat een bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd, waarvan een gedeelte omgevingsvergunningplichtig is en een deel vergunningvrij. Dit geldt ook als de bouwdelen zich niet bouwkundig en functioneel laten onderscheiden: aan de hand van een ‘fictieve krijtstreep’ kan een scheiding tussen de bouwdelen worden aanbracht en kan beoordeeld worden of de desbetreffende delen van het bijbehorend bouwwerk voldoen aan de voorschriften die daarvoor gelden (Stb. 2014/333, p. 35-36).

De wijziging van het Bor brengt volgens de Afdeling kennelijk een wijziging aan in de wijze waarop een bouwaanvraag zoals die in deze procedure aan de orde is, beoordeeld moet worden. Wat de precieze gevolgen van de wijziging zijn, acht zij echter niet direct duidelijk:

Gelet op de vragen die de wijziging van de tekst van het Bor en de daarop gegeven toelichting, in onderling verband bezien, oproepen alsmede de vraag hoe een fictieve ‘krijtstreep’ zich verhoudt tot de toetsing aan de eisen van het Bouwbesluit en de welstandsvereisten, is niet zonder meer duidelijk welke de gevolgen moeten zijn van de wijziging van het Bor voor het nieuw te nemen besluit.

In het voorliggende geval geeft zij het college drie mogelijkheden om tot een nieuw besluit te komen. Het college kan óf op een nieuw in te dienen aanvraag beslissen, óf beslissen op de op ondergeschikte delen aangepaste oorspronkelijke aanvraag óf na herroeping van de reeds verleende vergunning met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure beslissen op de oorspronkelijke aanvraag.

Bij elk van deze opties blijft het eerder door de Afdeling overwogene van belang: uit de aanvraag dient onmiskenbaar te blijken voor welke delen van het plan wel en voor welke delen geen omgevingsvergunning is vereist. De taak ligt dus bij de aanvrager om de door hem ingediende aanvraag zo specifiek mogelijk te maken.