Inleiding

De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel Elektriciteits- en gaswet, onderdeel van de wetgevingsagenda STROOM, op 22 december 2015 verworpen. Om de doelen uit het Energieakkoord toch te kunnen halen, heeft de Minister van Economische Zaken een nieuw wetsvoorstel ingediend; het wetsvoorstel ter wijziging van de Elektriciteitswet 1998. Hierin is onder meer een regeling opgenomen om natrekking bij de toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht bij windturbines te voorkomen.

Artikel 9g Elektriciteitswet

Deze toepassing ziet erop het overgaan van eigendom van de exploitant van de windturbines naar de grondeigenaar door natrekking te voorkomen. In de Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 wordt voorgesteld artikel 9g als volgt te formuleren:

1. Een windpark met een capaciteit van ten minste 5 MW wordt voor de toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht aangemerkt als openbaar werk van algemeen nut.

2. Artikel 20, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing op openbare werken van algemeen nut die met toepassing van een verplichting tot gedogen als bedoeld in artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht worden aangelegd, in stand gehouden, gewijzigd of verplaatst.”

Achtergrond

De toepasselijkheid van de Belemmeringenwet Privaatrecht (BP) bij windturbineparken wordt niet meer afhankelijk gesteld van de procedure gevolgd bij het oprichten van een windpark, zoals de Rijkscoördinatieregeling of de Provinciale Coördinatieregeling. Dit onderscheid tussen projecten waarvoor de BP wel of niet kon worden toegepast puur en alleen op basis van de gevolgde procedure werd onwenselijk geacht. Daarentegen wordt de aard van het werk bepalend voor de toepassing van de BP. Hiervoor is bepaald dat de BP op windparken van meer dan 5 MW van toepassing zal zijn.

Met artikel 9g Elektriciteitswet wil de Minister voorts voorkomen dat windturbines door natrekking eigendom worden van de eigenaar van de ondergrond. Hiertoe wordt het “doorknip-artikel” (artikel 5:20 BW) van toepassing verklaard op alle openbare werken van algemeen nut die met toepassing van een verplichting tot gedogen als bedoeld in artikel 1 BP worden aangelegd, in stand gehouden, gewijzigd of verplaatst. Dit is nodig, omdat in de BP geen regeling is opgenomen over de eigendom van het werk van algemeen nut dat op basis van een verplichting tot gedogen wordt aangelegd op of in de onroerende zaak van een ander. In de gevallen dat er wel minnelijke overeenstemming is bereikt over de aanleg van een werk van algemeen nut wordt vaak een opstalrecht gevestigd. Met de vestiging van dit beperkte recht behoudt de initiatiefnemer de eigendom van de windturbines. Wordt er echter geen minnelijke overeenstemming bereikt en komt het uiteindelijk tot het opleggen van een gedoogplicht, dan zouden de windturbines door het bepaalde in artikel 5:20, eerste lid, BW eigendom kunnen worden van de eigenaar van de grond waarop of waarin het werk is geplaatst. Het tweede lid van artikel 5:20 BW voorkomt voornoemde overgang al bij ondergrondse netten, bestaande uit een of meer kabels of leidingen. Voor werken van algemeen nut wordt dit artikellid ook van toepassing, waardoor bijvoorbeeld windturbines in eigendom blijven van de initiatiefnemer.

Omgevingswet

Het wetsvoorstel Omgevingswet heeft eenzelfde regeling, waarmee het voorgestelde artikel 9g Elektriciteitswet ter overbrugging is. Artikel 10.28 luidt in het wetsvoorstel Ow:

Artikel 20, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing op werken van algemeen belang die met toepassing van een gedoogplichtbeschikking worden aangelegd, in stand gehouden, gewijzigd of verplaatst.”

In de Memorie wordt onderkend dat de werken niet alleen zullen zien op kabels en leidingen, hierom wordt in artikel 10.28 Ow artikel 5:20 tweede lid BW van overeenkomstige toepassing verklaard op alle werken van algemeen belang die op grond van een gedoogplichtbeschikking tot stand zijn gebracht.

Conclusie

Voor initiatiefnemers kan dit een gunstige bepaling zijn, aangezien het niet langer altijd nodig is om met alle grondeigenaren een minnelijke overeenstemming te hebben bereikt voordat uitvoering kan worden gegeven aan de plannen. De minister van Economische Zaken heeft aangegeven te beogen de wet op 1 april 2016 inwerking te doen treden. Dit lijkt een optimistische planning, wij volgen de voortgang van dit wetsvoorstel dan ook met interesse.