In een arrest van 17 maart 2016 vernietigt het Grondwettelijk Hof gedeeltelijk de Belgische wet aangaande de Rechtsvordering tot collectief herstel1 (titel 2 in boek XVII ‘Bijzondere rechtsprocedures’ van het Wetboek economisch recht (“WER”)). De vernietiging is vrij beperkt, nl. in de mate de wet een discriminatie inhoudt ten aanzien van vertegenwoordigende instanties uit andere lidstaten om op te treden als groepsvertegenwoordiger. De overige middelen werden door het Hof afgewezen. Ten gronde blijft de regeling dus op dit ene punt na overeind. Hieronder bespreken we kort de belangrijkste bevindingen van het Hof.

De beperking van het toepassingsgebied tot de collectieve schade waarvan de gemeenschappelijke oorzaak heeft plaatsgevonden na de inwerkingtreding van de wet

De bestreden wet bepaalt dat een rechtsvordering tot collectief herstel slechts ingesteld kan worden ten aanzien van collectieve schade waarvan de gemeenschappelijke oorzaak na de inwerkingtreding van de wet, zijnde 1 september 2014, heeft plaatsgevonden. Volgens de verzoekende partijen is een dergelijke beperking discriminerend ten aanzien van de slachtoffers van collectieve schade die voortvloeit uit een gemeenschappelijk oorzaak die zich voor de inwerkingtreding van de wet heeft voorgedaan.

Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat de beperking van het toepassingsgebied niet in strijd is met de Belgische Grondwet. Vooreerst benadrukt het Hof dat de beperking is ingegeven door de bekommernis om de rechtszekerheid te garanderen. Het Hof erkent dat het verstrijken van enige tijd, het vaststellen van de bestanddelen van de aansprakelijkheid kan bemoeilijken. Bovendien zijn enkel de Brusselse rechtscolleges bevoegd om kennis te nemen van de rechtsvorderingen tot collectief herstel. Zonder een dergelijke beperking in tijd zou er een reëel risico zijn dat deze rechtscolleges overbelast worden en achterstand oplopen. Dit is dan weer niet verenigbaar met de bekommernis van de wetgever om net via de bestreden wet een betere rechtsbedeling en een betere verdediging van de consumentenrechten te waarborgen. Tenslotte wijst het Hof erop dat de rechtsvordering tot collectief herstel een bijkomend juridisch instrument is en dat een consument derhalve het voordeel behoudt van de andere juridische instrumenten en rechtsvorderingen, zoals de individuele vordering tot vergoeding van de geleden schade.

De beperking van het toepassingsgebied tot de collectieve schade geleden wegens schending van welbepaalde Belgische en Europese wettelijke bepalingen

Artikelen XVII.36, 1° en XVII.37 WER beperken de rechtsvordering tot de schade die door de consumenten wordt geleden tot de schending van welbepaalde Europese normen en Belgisch wettelijk bepalingen. Het Hof stelt vast dat de wetgever meer specifiek wou inspelen op het domein van consumentenrecht.

Bovendien erkent het Hof dat omwille van het vernieuwde karakter en de complexiteit van de betrokken procedure alsook de exclusieve bevoegdheid van de Brusselse rechtscolleges, de wetgever uitdrukkelijk voor een geleidelijke benadering heeft gekozen met de mogelijkheid om eventueel, na een evaluatieprocedure, de wetgeving aan te passen of uit te breiden. Om die redenen is de beperking van het toepassingsgebied niet in strijd is met de Belgische grondwet.

De beperking van de verenigingen en publieke instantie die als groepsvertegenwoordiger mogen optreden

Enkel de verenigingen en publieke instanties opgesomd in artikel XVII.39 WER kunnen optreden als groepsvertegenwoordiger in een procedure tot collectief herstel. Het Grondwettelijk Hof erkent dat de wetgever kwalitatieve en kwantitatieve filters kan invoeren doch enkel in zover dit ertoe zou bijdragen dat deze rechtsvorderingen worden toegespitst op het belang van de consumenten. De Artikel XVII.39 WER leidt er de facto echter toe dat dienstverrichters van andere lidstaten niet kunnen optreden als een dergelijke groepsvertegenwoordiger. Een dergelijke vereiste is niet verenigbaar met artikel 16, lid 2 van de Europese Dienstenrichtlijn2. Er is ook geen rechtvaardiging voor deze beperking. Het Hof stelt dan ook dat de bestreden bepaling de Belgische grondwet schendt in zover het niet toelaat dat vertegenwoordigende instanties uit andere lidstaten, die wel beantwoorden aan de vereisten van de Dienstenrichtlijn en van de Aanbeveling van de Commissie over gemeenschappelijke beginselen voor mechanismen voor collectieve vorderingen tot staking en tot schadevergoeding3, niet kunnen optreden als groepsvertegenwoordiger. ​​