Op 8 juli jl. heeft de Hoge Raad arrest gewezen in een geschil over afgesproken rente in een hypotheekakte en de uitleg volgens een objectieve maatstaf of volgens de Haviltexmaatstaf .

Feiten
A en B zijn op 16 maart 2009 een ‘memorandum of understanding’ aangegaan ter zake van de koop door A van de aandelen van B in een vennootschap, waarbij A een aanbetaling heeft gedaan aan B.
B verstrekt daarnaast aan A een geldlening voor de aandelentransactie.
Tot zekerheid voor de terugbetaling van deze lening heeft A een hypotheekrecht gevestigd ten behoeve van B op registergoederen van de vennootschap.
In de hypotheekakte is een renteclausule opgenomen. Tussen partijen ontstaat onenigheid over de uitleg van deze renteclausule. Het gaat hier met name om de vraag of het in de hypotheekakte opgenomen bedrag inclusief rente is (zoals A stelt) of exclusief rente (zoals B stelt).

Geding in feitelijke instantie
Het Hof overweegt onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad (o.a. Hoge Raad 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2904, NJ 2013/240), dat het bij de uitleg van de notariële akte ter vestiging van een beperkt recht (zoals in dit geval een hypotheekrecht) aankomt op ‘de partijbedoeling voor zover die in de akte tot uitdrukking is gebracht’ en dat de partijbedoeling moet worden afgeleid uit ‘de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte’.
Het Hof gaat derhalve uit van een objectieve uitlegmaatstaf en volgt de stellingname van B dat het in de hypotheekakte genoemde bedrag exclusief rente is.

Geding in cassatie
A gaat in cassatie.
De Hoge Raad overweegt in zijn arrest in r.o. 4.2.3 dat het geschil niet ziet op wat in de hypotheekakte is opgenomen over de vestiging van het hypotheekrecht, maar dat het gaat om een renteclausule die enkel van belang is voor contractspartijen.
Het komt dan aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de clausule mochten toekennen en wat zij van elkaar mochten verwachten in het licht van alle omstandigheden van het geval (zie Hoge Raad 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9833, NJ 2011/111).
De Hoge Raad hanteert hier de (subjectieve) Haviltexmethode (vergelijk Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635”:http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:1981:AG4158).
De Hoge Raad oordeelt dat de opvatting van A juist is en overweegt dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft toegepast.

Conclusie
De objectieve uitlegmaatstaf geldt enkel voor de uitleg van de goederenrechtelijke overeenkomst.
Op de uitleg van de daaraan ten grondslag liggende obligatoire overeenkomst is de (subjectieve) Haviltexmaatstaf van toepassing.
Met dit arrest bevestigt de Hoge Raad de heersende leer zoals die onder meer is neergelegd in het genoemde arrest uit 2010.
Hoewel de Hoge Raad de bestaande leer theoretisch bezien consistent uitlegt, ontstaat in de praktijk een glijdende schaal. Hoe kan de praktijk een goederenrechtelijke clausule van een contractueel beding onderscheiden? Bij de uitleg van een goederenrechtelijk beding komt meer gewicht toe aan de tekst in de akte en bijvoorbeeld de structuur daarvan. Bij een contractuele clausule zijn daarentegen alle (subjectieve) omstandigheden van het geval van belang. Met name in het laatste geval valt dus aan te raden de interpretatieruimte zoveel mogelijk in te kaderen door bijvoorbeeld de partijbedoeling expliciet op te nemen in de overwegingen van de akte of beding en zo min mogelijk subjectieve termen te hanteren.