Op vrijdag 14 augustus heeft de Hoge Raad arrest gewezen over de samenhang tussen twee bijzondere bepalingen over de verjaring van rechtsvorderingen. De zaak draait om art. 3:311 lid 1 BW, waarin onder meer is bepaald dat de rechtsvordering tot herstel van een tekortkoming verjaart vijf jaar na dag waarop de schuldeiser met de tekortkoming bekend is geworden – en daarbij gaat het om subjectieve bekendheid. Hoe verhoudt deze bepaling zich tot art. 3:307 lid 1 BW, waarin staat dat een vordering tot nakoming verjaart vijf jaar nadat de vordering opeisbaar is geworden, en waarbij het er niet toe doet of de schuldeiser wist of en wanneer hij een opeisbare vordering had? In het hier berechte geval maakte het een wereld van verschil onder welke bepaling de vordering viel. Dat bepaalde immers of de vordering wel of niet verjaard was, en dat kan ook in andere zaken zo zijn. Verder passeerden nog interessante vragen over bezit en bezit te goeder trouw de revue.

De zaak ging kort gezegd om het volgende.

Twee samenwonende levenspartners, beiden vrouw met een onderling leeftijdsverschil van 20 jaar, hadden afspraken gemaakt voor het geval de oudste voortijdig zou komen te overlijden. Het plan was om successierechten te besparen door al bij leven van de oudste bezittingen aan de jongste over te dragen. Er waren mondelinge afspraken gemaakt over het huis waarin zij samenwoonden en dat op dat moment nog eigendom was van de oudste. Kadastraal had het totale perceel waarop het huis met toebehoren zich bevond twee verschillende nummers.

Partijen voegden de daad bij het woord en gingen in 2001 naar de notaris voor de levering, onder voorbehoud van gebruik en bewoning door de oudste. In de leveringsakte werd slechts melding gemaakt van een van de twee perceelnummers (dat ik hierna ‘deel 1′ zal noemen): het nummer van een strook grond waarop onder meer de bij het huis behorende carport stond (‘deel 2′) werd niet vermeld.

De relatie tussen partijen is in 2005 beëindigd. Toen de jongste het huis met grond wilde verkopen, ontstond er een geschil: was het de bedoeling van partijen geweest om met de levering in 2001 ook deel 2 mee over te dragen? Partijen kwamen er niet uit, waarop de jongste een civiele procedure tegen de oudste begon. Primair wilde zij een verklaring voor recht dat de strook inbegrepen was in de mondelinge koopovereenkomst uit 2001, met een verplichting tot medewerking aan levering. Subsidiair vorderde zij o.a. een verklaring voor recht dat zij in elk geval door verkrijgende verjaring ex art. 3:99 BW eigenaar was geworden van een klein stuk van deel 2A, het stuk tot aan een zichtbare afscheiding tussen de beide perceelsgedeelten (‘deel 2A’).

De oudste voerde verweer. Zij bestreed niet alleen de uitleg dat zij ook de desbetreffende strook grond had moeten overdragen, maar betoogde ook dat de vordering hoe dan ook was verjaard – dus dat sprake was van bevrijdende verjaring. Als er al een vordering tot nakoming van de koopovereenkomst was, dan was deze volgens haar al in 2001 opeisbaar geworden bij het passeren van de leveringsakte. Daardoor, zo stelde zij, was de vordering al in 2006 verjaard (art. 3:307 lid 1 BW). Het moment van opeisbaar worden bepaalt immers dat de verharingstermijn openstaat. De jongste bracht daartegen in dat het hier niet gaat om een vordering tot nakoming zoals bedoeld in art. 3:307 lid BW. Zij betoogde dat het ging om een vordering totherstel van een tekortkoming in de nakoming, zoals bedoeld in art. 3:311 lid 1 BW. In dat geval gaat de termijn voor verjaring lopen vanaf het moment van bekendheid met de tekortkoming. De jongste stelde vervolgens dat zij pas in 2009 hebben geweten dat sprake was van een tekortkoming: toen zij het huis met toebehoren aan een derde wilde verkopen, was haar gebleken dat ze slechts één van beide perceelsgedeelten geleverd had gekregen.

Het hof gaf de oudste gelijk: hij oordeelde het beroep op bevrijdende verjaring slaagt zodat er überhaupt geen enkel vorderingsrecht meer was tot het alsnog leveren van deel 2. De vordering was immers al onmiddellijk opeisbaar, zodat de vijfjaarstermijn op zijn laatst direct na het passeren van de leveringsakte was aangevangen, aldus het hof. Ook de subsidiaire vordering over de verkrijgende verjaring van deel 2A werd verworpen. Het hof oordeelde dat de jongste nog geen tien jaar onafgebroken bezit van dat stuk grond had gehad, daar de oudste pas in 2005 is vertrokken uit het pand.

In cassatie is het oordeel van het hof op beide fronten onderuit gaan, waarbij de Hoge Raad er – in cassatiejargon – ‘veronderstellenderwijs’ vanuit gaat dat het inderdaad de bedoeling van partijen was om beide perceelsgedeelten over te dragen.

Ten aanzien van de bevrijdende verjaring oordeelt de Hoge Raad, daarbij de cassatieklachten volgend, dat de vordering van de jongste geen vordering tot nakoming was zoals bedoeld in art. 3:307 lid  1 BW, maar een vordering tot herstel van een tekortkoming zoals bedoeld in art. 3:311 lid 1 BW. De stelling was immers dat de jongste niet alles heeft gekregen waarop zijn contractueel recht meende te hebben – maar wel een deel daarvan. Art. 3:311 lid 1 BW gaat als specialis vóór op de algemene regeling over verbintenissen die in het geheel niet zijn nagekomen, zo licht de Hoge Raad toe:

3.3.3  Zoals ook blijkt uit de memorie van toelichting bij de Invoeringswet Nieuw BW, (…) moet art. 3:311 lid 1 BW worden beschouwd als een voorschrift dat voor (onder meer) een vordering tot herstel van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst een bijzondere regeling inhoudt ten opzichte van de algemene regeling van art. 3:307 lid 1 BW. Het voornaamste verschil is gelegen in het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn.

Het vorenstaande brengt mee dat art. 3:307 BW slechts van toepassing is op vorderingen tot nakoming van contractuele verbintenissen die in het geheel niet zijn nagekomen. Indien een zodanige verbintenis gedeeltelijk of anderszins gebrekkig is nagekomen, geldt de regeling van art. 3:311 lid 1 BW. “

De A-G heeft in zijn lezenswaardige conclusie voor dit arrest nog uitgebreide verdere citaten uit de wetsgeschiedenis opgenomen. De desbetreffende passages maken duidelijk dat de wetgever bij een vordering tot herstel van een gebrek in de nakoming van een verbintenis (bijvoorbeeld tot herstel van een gebrek in een geleverde zaak of het vervangen van die zaak) de schuldeiser heeft willen helpen. De verjaringstermijn gaat pas lopen als sprake is van daadwerkelijke bekendheid van eiser met de tekortkoming. Als er in het geheel niet is gepresteerd, verwacht de wetgever daarentegen dat de schuldeiser zelf alert is en in de gaten houdt of en wanneer zijn nakomingsclaim opeisbaar is geworden.

Interessant voor de praktijk is vervolgens de vraag wanneer nu eigenlijk sprake is van een gedeeltelijke of anderszins gebrekkige prestatie zoals bedoeld in art. 3:311 lid BW. Is het daarbij van belang dat het gaat om een ondeelbare prestatie, omdat anders een opsplitsing kan en moet worden gemaakt? En hoe moeten we in dat licht dat afspraken van partijen over de twee perceelsgedeelten zien? De Hoge Raad oordeelt dat gelet op de omschrijving in de akte en de aard van de afspraken, slechts van één verbintenis tot levering sprake was:

“3.3.4 Het verkochte is in de notariële akte omschreven als “het vrijstaande herenhuis “ [pand A] ” met schuur, ondergrond en tuin (etc.)” en er is één koopprijs voor bedongen. Uitgaande van hetgeen hiervoor (…)  is vooropgesteld, is bij een dergelijke overeenkomst in beginsel sprake van slechts één verbintenis tot levering, ook als het verkochte twee kadastrale percelen omvat. Dat is slechts anders indien dat uit de overeenkomst voortvloeit, bijvoorbeeld indien met betrekking tot de percelen zo uiteenlopende bedingen zijn overeengekomen, zoals met betrekking tot de datum van overdracht, dat van afzonderlijke verbintenissen gesproken moet worden.”

De Hoge Raad bespreekt vervolgens nog de cassatieklachten over het subsidiaire beroep van de jongste opverkrijgende verjaring van deel 2A De klachten slagen: het hof had niet duidelijk gemaakt waarom volgens hem pas na 2005, dus na het vertrek van de oudste na het beëindigen van de relatie, van bezitsdaden sprake kon zijn. De Hoge Raad achtte in dat kader van belang dat de jongste al sinds 2001 de eigendom en daarmee het bezit had gekregen van het perceelsgedeelte met het huis (deel 1). Als de stelling van de jongste juist was dat deel 2A altijd al als deel van de tuin bij dat huis werd beschouwd, dan heeft zij met betrekking tot die strook bezitsdaden kunnen verrichten. Hiermee gaat de Hoge Raad contrair aan de conclusie van de A-G: die vond – zeer kort samengevat – net zoals het hof dat pas van bezitsdaden sprake kon zijn na het vertrek van de oudste, vanwege het voorbehoud van haar recht van gebruik en bewoning. Voor die redenering valt ook zeker wat te zeggen.

Interessant is nog de slotnoot van de Hoge Raad, over de vraag ten overvloede van het hof of de jongste wel als bezitter te goeder trouw kon worden aangemerkt (hetgeen is vereist voor een beroep op de tienjaarstermijn van art. 3:99 BW:

“Dat (de toepasselijkheid van art. 3:311BW, ETEF) geldt ook indien de verschuldigde prestatie deelbaar is. Een andere opvatting zou afdoen aan de hanteerbaarheid van de verjaringsregeling en onder omstandigheden tekort doen aan de bescherming die de schuldeiser ontleent aan het in art. 3:311 lid 1 BW neergelegde aanvangstijdstip van de daar geregelde verjaring. 3.4.3 (…) De omstandigheid dat de bezitter van een stuk grond die meent eigenaar daarvan te zijn, bij raadpleging van de kadastrale kaart – die geen deel uitmaakt van de openbare registers – had kunnen vaststellen dat de perceelsgrens een ander verloop heeft dan de situatie ter plaatse suggereert, staat niet eraan in de weg dat hij het stuk grond te goeder trouw kan bezitten.”

Een terechte overweging, naar mijn mening: goede trouw bij bezit (art. 3:118 BW) is wel wat subtieler dan de vraag of de situatie in theorie kan worden geraadpleegd op een kadastrale kaart. Het gaat erom of de bezitter zich als rechthebbende beschouwt en zich ook “redelijkerwijze” als rechthebbende mocht beschouwen. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen. Goede trouw wordt bovendien vermoed aanwezig te zijn; dat is een wettelijk vermoeden waar de wederpartij bewijs van het tegendeel tegenover moet zien te stellen.