Uit de recente uitspraak van 15 maart 2016 in de zaak Gillissen tegen Nederland volgen belangrijke lessen voor de omgang met getuigenbewijs in het bestuursrecht (ECLI:CE:ECHR:2016:0315JUD003996609, AB 2016/132, m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik).  In de eerste plaats illustreert deze uitspraak dat de bestuursrechter goed moet motiveren waarom hij niet ingaat op een verzoek om getuigen te horen. Een goede reden hiervoor kan zijn dat ook als het betwiste relevante feit (waarover de getuigenis wordt verzocht) zou kunnen worden vastgesteld dit uiteindelijk geen verschil zou hebben uitgemaakt voor de uitkomst van het geschil in kwestie. Het komt er dus op aan dat de bestuursrechter afdoende motiveert waarom er geen aanleiding bestaat getuigen te horen. De uitspraak laat tegelijkertijd ook zien dat bestuursrechters zich actief moeten opstellen als het gaat om het oproepen van getuigen die mogelijk licht kunnen doen schijnen op voor de beslechting van het geschil in kwestie cruciale feiten. De bestuursrechter kan zich dan niet alleen verschuilen achter de vraag of partijen zelf getuigen hebben opgeroepen of hebben meegebracht naar de zitting (op grond van art. 8:63 lid 2 Awb). Waar nodig zal de bestuursrechter derhalve ook zelf in actie moeten komen en cruciale getuigen ambtshalve moeten oproepen. Een enkele motivering dat partijen zelf getuigen hadden kunnen oproepen lijkt daartoe onvoldoende. Daarbij zou het aanbeveling verdienen dat bestuursrechters vroegtijdig kennis kan nemen van het dossier (een van de oorspronkelijke bedoelingen van de nieuwe zaaksbehandeling) en waar nodig dan al nadere bewijsbeslissingen kunnen nemen, zoals over het oproepen van eventuele getuigen. Daarvoor moet dan wel afscheid genomen worden van de zittingsgerichte behandeling van zaken die een hardnekkig fenomeen blijkt te zijn.