Bij de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht in januari 2013 (Stb. 2011, 275) werden de artikelen 166, 276 en 391 lid 7 van Boek 2 en Burgerlijk Wetboek tijdelijk ingevoerd, ter bevordering van een evenwichtige verdeling van de zetels van het bestuur en de raad van commissarissen tussen mannen en vrouwen bij ‘grote vennootschappen’. Deze artikelen vervallen van rechtswege per 1 januari 2016, met de gedachte dat de evenwichtige verdeling tussen mannen en vrouwen in de tussengelegen periode automatisch zou zijn doorgevoerd. Maar is de doelstelling van een evenwichtige verdeling tussen mannen en vrouwen reeds bereikt? Of dient er een verlenging te komen van de wettelijke streefcijfers?

Europees voorstel

Op 14 november 2012 heeft de Europese Commissie een richtlijnvoorstel gepubliceerd inzake de verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen en daarmee samenhangende maatregelen (COM 614 final). Volgens dit voorstel moet in 2020 ten minste 40% van de niet-uitvoerende bestuursleden van beursgenoteerde ondernemingen van het ondervertegenwoordigde geslacht zijn. Deze doelstelling uit de richtlijn geldt alleen voor niet-uitvoerende bestuursleden, hetgeen moet leiden tot de juiste balans tussen enerzijds de noodzaak een evenwichtigere man-vrouwverhouding in raden van bestuur te bereiken en anderzijds het streven het dagelijks bestuur van een onderneming zoveel mogelijk ongemoeid te laten.

Nederlandse wetgeving

Nederland heeft bij de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht in januari 2013 voormelde richtlijn in de Nederlandse wet geïmplementeerd door de introductie van de artikelen 166 en 276 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. In deze artikelen zijn de wettelijke streefcijfers voor ‘grote vennootschappen’ immers wettelijk vastgelegd, voor zowel het bestuur als de raad van commissarissen. Deze wettelijke streefcijfers houden in dat tenminste 30% van de zetels in het bestuur en de raad van commissarissen door mannen en tenminste 30% door vrouwen zou moeten worden bekleed. Dat het om streefcijfers gaat betekent dat als een vennootschap niet aan deze wettelijke streefcijfers voldoet, er geen sanctie is verbonden aan het niet tegemoetkomen van de streefcijfers. De vennootschap zal in dat geval echter op grond van artikel 391 lid 7 van Boek 2 en Burgerlijk Wetboek in het jaarverslag moeten toelichten waarom de zetels niet evenwichtig zijn verdeeld (het zogenaamde ‘pas toe of leg uit principe’). Bovendien moet de vennootschap daarbij aangeven hoe zij heeft geprobeerd om tot een evenwichtige verdeling van de zetels te komen en op welke wijze de vennootschap beoogt in de toekomst een evenwichtige verdeling van zetels tussen man en vrouw te realiseren.

Tijdelijke streefcijfers

De wetgever heeft bij de invoering van de artikelen 166, 276 en 391 lid 7 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek aangegeven dat deze artikelen per 1 januari 2016 van rechtswege zullen vervallen. De wetgever is er hierbij vanuit gegaan dat vanaf deze datum het bedrijfsleven uit eigen beweging aan de streefcijfers in voormelde artikelen zou hebben voldaan.

Status

Bijna drie jaar na invoering van de artikelen 166, 276 en 391 lid 7 van Boek 2 kan vooralsnog worden geconstateerd dat deze bepalingen weinig effect hebben gehad. Wel is er sprake van een lichte groei tussen de man-vrouw verhouding in besturen en raden van commissarissen. Zo is sinds de invoering van voormelde artikelen het aantal vrouwen in besturen gestegen van 7,4% naar 9,6% eind 2014 en in de raden van commissarissen van 9,8% naar 11,2% (Rapport van de Commissie Monitoring Talent naar de Top).

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op 16 november jl. aangekondigd dat het kabinet op korte termijn een wetsvoorstel zal indienen tot verlenging van de streefcijfers, waarbij tevens de handhaving zal worden aangescherpt.