Uiterlijk voor 16 april van dit jaar moet de Nederlandse regering de nieuwe aanbestedingsrichtlijnen geïmplementeerd hebben. In oktober 2015 heeft de regering met dat doel dan ook een voorstel tot wijziging van de Aanbestedingswet ingediend dat ergens in de komende maanden door de Tweede en Eerste Kamer behandeld zal moeten worden. Als de wetswijziging in haar huidige vorm wordt aangenomen, zijn de belangrijkste wijzigingen de volgende (de wijzigingen voor aanbestedingen georganiseerd door speciale sectorbedrijven zijn hierbij buiten beschouwing gelaten):

Nieuwe (voor-)procedures en ruimer toepassingsbereik van procedures: 

  • De marktconsultatie: de nieuwe Aanbestedingswet zal expliciet melding maken van: een verkenning om de eisen voor een aanbestedingsprocedure vast te stellen. Deze bestond al in de aanbestedingspraktijk, maar heeft nu ook een officiële wettelijke basis.
  • Innovatiepartnerschap: een nieuw type procedure die het voor aanbestedende diensten mogelijk moet maken om innovatieve diensten, producten of werken effectiever in te kopen. De procedure heeft veel weg van de concurrentiegerichte dialoog, die ook maar mondjesmaat toepassing vond in Nederland, maar waarvan het toepassingsbereik nu ook wordt uitgebreid. De toegevoegde waarde van het innovatiepartnerschap zal zich dus in de praktijk nog moeten bewijzen;
  • Mededingingsprocedure met onderhandeling: voorheen bekend als de onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking. Het aantal situaties waarin deze procedure mag worden toegepast wordt uitgebreid en is gelijk aan het toepassingsbereik van de concurrentiegerichte dialoog: voor bijvoorbeeld innovatieve of complexe projecten of wanneer technische specificaties niet kunnen worden vastgesteld.
  • Vooraankondiging voor sociale en andere specifieke diensten: voor deze type diensten (hierna meer over welke diensten dat zijn) kan een zogenaamde vooraankondiging worden gebruikt om opdrachten boven een bepaalde waarde aan te kondigen. Een aanbestedende dienst kan dan voor een toekomstige periode meerdere opdrachten identificeren die zij in de markt wil zetten en hoeft dan alleen die partijen een kans te bieden, die hun belangstelling kenbaar hebben gemaakt in reactie op de vooraankondiging. Er hoeft dan geen specifieke aankondiging van de individuele opdrachten meer te volgen.
  • Dynamisch aankoopsysteem: de eisen voor dit systeem worden vereenvoudigd. Aanbestedende diensten kunnen dit systeem gebruiken voor een bepaalde periode voor bepaalde categorieën van opdrachten. Partijen melden zich, waarna de aanbestedende dienst beoordeelt of ze voldoen aan de eisen om toegelaten te worden tot het systeem. Binnen dat systeem worden vervolgens opdrachten vergeven aan alleen de partijen die tot het systeem zijn toegelaten.

Altijd EMVI

De “Economisch Meest Voordelige Inschrijving” wordt de overkoepelende term voor de drie mogelijke varianten van gunningscriteria: 1) laagste prijs; 2) laagste kosten op basis van kosteneffectiviteit, zoals bijvoorbeeld levensduurcriteria; 3) beste prijs-kwaliteitsverhouding (het “oude” EMVI). In beginsel dient een aanbestedende dienst te gunnen op basis van gunningscriterium 2 of 3. Wil de aanbestedende dienst toch gunnen op basis van de laagste prijs, dan zal dit gemotiveerd moeten worden (hetgeen al een verplichting was onder de oude Aanbestedingswet).

Elektronisch aanbesteden verplicht

Aankondigingen van Europese opdrachten moesten in Nederland al verplicht via het door de overheid ingerichte elektronische platform TenderNed lopen, maar vanaf 1 juli 2017 moet de gehele aanbestedingsprocedure elektronisch plaatsvinden. Die procedure hoeft niet noodzakelijkerwijs via TenderNed te lopen, de aankondiging dus wel.

De Europese Eigen Verklaring

De Aanbestedingswet kende al een uniforme Eigen Verklaring, maar de richtlijn introduceert daar een Europese norm voor: het Europese Uniforme Aanbestedingsdocument: deze zal de Nederlandse Eigen Verklaring gaan vervangen, maar zal inhoudelijk een zeer vergelijkbare strekking hebben.

Inbesteding en publiek-publieke samenwerking

De oude Aanbestedingswet en de Europese jurisprudentie boden al een aantal mogelijkheden aan aanbestedende diensten om overheidsopdrachten aan elkaar te gunnen, dan wel aan een door hun opgezet samenwerkingsverband. Die mogelijkheden worden nu vastgelegd in de Aanbestedingswet, maar er wordt ook een nieuwe mogelijkheid van “inbesteden” geïntroduceerd: het zogenaamde horizontale inbesteden, het vergeven van opdrachten door aanbestedende dienst A aan andere aanbestedende dienst B waar A geen toezicht op heeft zoals op haar eigen interne organisatie, maar waarbij beiden onder dat soort toezicht vallen van aanbestedende dienst C.

Integriteit en past performance

De Aanbestedingswet verplicht aanbestedende diensten nu expliciet om “passende” maatregelen te nemen om belangenconflicten, fraude en corruptie te voorkomen. Welke concrete maatregelen dan als passend kunnen worden aangemerkt maakt de wet niet duidelijk en zal de aanbestedende dienst nog steeds moeten baseren op de praktijkvoorbeelden die er al zijn in de jurisprudentie en het beleid dat aanbestedende diensten in dit verband hebben geformuleerd. Aanbestedende diensten kunnen ondernemingen nu ook uitsluiten op basis van de gebrekkige uitvoering van eerdere opdrachten.

Sociale en bijzondere diensten

Het onderscheid tussen A- en B-diensten waarbij een vereenvoudigde procedure mag worden gevolgd voor die laatste categorie komt te vervallen in de nieuwe Aanbestedingswet. In plaats daarvan komt er een verlicht procedureregime voor sociale en andere specifieke diensten met een waarde van € 750.000,- of meer.

Concessies

Om de richtlijn voor concessieopdrachten te implementeren introduceert de Aanbestedingswet een uniform (maar vormvrij) kader voor het vergunnen van concessieopdrachten. Onder het oude recht golden verschillende regimes afhankelijk van of het een werken- of dienstenconcessie betrof.

Een groot deel van de voorgenomen wijzigingen zijn nuanceverschillen of codificaties van reeds bestaande regels die uit de praktijk of jurisprudentie volgden. Het is dan juist lastiger om de daadwerkelijke veranderingen – die de gewijzigde wet straks wel degelijk gaat bevatten – te identificeren.