​​​​​Nadat de Eerste Kamer ongeveer een maand eerder haar goedkeuring had uitgesproken, is de Omgevingswet op 26 april jl.gepubliceerd in het Staatsblad (2016, 156). Vooruitlopend op de beoogde inwerkingtreding in 2018, vond op 16 maart jl. bij AKD Amsterdam een rondetafelgesprek plaats over mogelijke aandachtspunten rond de implementatie van de grootschalige wetgevingsoperatie. Het gesprek bood het Ministerie van IenM de gelegenheid om in overleg te treden met omgevingsrechtspecialisten van een aantal grote advocatenkantoren. Het ministerie wil de advocatuur niet pas in de rechtszaal over de Omgevingswet spreken, maar de verbinding al aan het begin van het implementatietraject leggen.

Consultatie uitvoeringsbesluiten aanstaande

Hoewel de tekst van de Omgevingswet dus vast staat, is het in dit stadium voor de praktijk nog moeilijk om daadwerkelijk op effectieve wijze in te spelen op de inwerkingtreding. De wettekst is namelijk grotendeels procedureel van aard; de inhoudelijke normen zullen veelal neergelegd worden in een viertal uitvoeringsbesluiten. De openbare consultatieperiode van deze algemene maatregelen van bestuur zal op 1 juli 2016 beginnen en duren tot 1 oktober. Desondanks wordt een aantal thema's door de juridische sector al enige tijd nauwlettend in de gaten gehouden. Met name rond de exacte werking van enkele uitgangspunten van de wet, zoals participatie van burgers en integrale afwegingsruimte voor lokale overheden.

Rol regionale uitvoeringsdiensten?

Eerder stonden wij al stil bij de aandacht die nog besteed zal worden aan de afstemming tussen de Omgevingswet en de Wet VTH. De Tweede Kamer heeft een motie aangenomen waarmee de regering wordt verzocht de stroomlijning van deze twee wetten te waarborgen. Dit is nodig, omdat zij op verschillende uitgangspunten steunen; terwijl de Omgevingswet lokale beleidsvrijheid – en daarmee maatwerk – centraal stelt, is de Wet VTH gebaseerd op de bedrijfsmatige uitvoering van milieuregels door regionale omgevingsdiensten.

Verder zijn er vraagtekens rond de impact van de wet op de werking van het limitatief imperatief stelsel bij de verlening van een omgevingsvergunning. Voor bouwactiviteiten blijft deze – op basis van de memorie van toelichting – in stand, maar voor bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan zijn nog geen beoordelingsregels bekend. Bovendien heeft de parlementaire behandeling van de Omgevingswet geleid tot het daarin opnemen van een algemene weigeringsgrond; het bevoegd gezag kan een aanvraag om omgevingsvergunning weigeren als "naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning zou leiden tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid."

Uitvoering staat of valt met goede digitalisering

Tegelijkertijd wordt ook over meer praktische zaken nog uitvoerig gediscussiee​​rd; onduidelijkheid bestaat onder meer nog over de invulling van het overgangsrecht ten aanzien van de doorwerking van op het moment van inwerkingtreding vigerende bestemmingsplannen als ware zij omgevingsplannen. Ook is nog niet volledig duidelijk welke (categorieën) gemeentelijke verordeningen uiteindelijk in dit plan dienen op te gaan. Hierover wordt onder meer in overleg getreden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Bovendien zal nog aanvullende aandacht worden besteed aan de digitale omgeving waarop de omgevingsdocumenten gepubliceerd moeten gaan worden. Er zijn nu verschillende digitale systemen (naast ruimtelijkeplannen.nl , het OLO, diverse registers, etc.) die geïntegreerd zullen moeten worden. Doordat een omgevingsplan ook meer soorten regels zal bevatten dan een bestemmingsplan, zou het voor belangstellenden nodig zijn om in elk geval over aanvullende mogelijkheden te beschikken ten opzichte van het huidige ruimtelijkeplannen.nl. Dat geldt te meer doordat de verschillen in milieuregels tussen gemeenten groter zullen zijn dan in de huidige situatie het geval is; met name private partijen zullen behoefte hebben aan een overzichtelijk systeem om de verschillende regimes goed te kunnen vergelijken. Bij de inwerkingtreding van de wet zal er minimaal een goed werkend basissysteem operationeel moeten zijn. Dat lijkt nog een forse uitdaging.

Als de consultatiefase achter de rug is, zal een meer gedetailleerde bespreking van actuele thema's rond de implementatie van de Omgevingswet mogelijk zijn. Een en ander moet bijdragen aan een vergaande vermindering van eventuele 'opstartproblemen' rond de invoering van de wet,  die naar de huidige verwachtingen in 2018 zal plaatsvinden.