Op 10 mei 2016 verwierp het Gerecht van de Europese Unie (“GvEU“) Duitslands verweer tegen de beslissing van de Europese Commissie (“EC“) over de Duitse wet op duurzame energie 2012 (“EEG 2012“). Duitsland betwistte het standpunt van de EC dat de EEG 2012 als staatssteun kwalificeert. Dit ondanks het feit dat de EC de steun grotendeels goedkeurde.

De procedure startte nadat de Duitse vereniging van Energieconsumenten een klacht over de EEG 2012 indiende bij de EC. De EEG 2012 streeft ernaar de productie van duurzame energie te stimuleren door producenten financieel te ondersteunen. Deze producenten ontvangen namelijk van netwerkbeheerders een vergoeding voor hun energie die hoger ligt dan de marktprijs (“eerste groep begunstigden“). Om deze maatregel te bekostigen betalen de leveranciers van duurzame energie een “EEG-heffing” aan de voor incassering en beheer verantwoordelijke netwerkbeheerders. In de praktijk berekenen de leveranciers de kosten van deze heffing door aan hun klanten in de vorm van een hogere prijs voor de geleverde energie. De EEG 2012 schrijft voor dat de mate waarin de EEG-heffing door leveranciers aan klanten doorberekend mag worden onderhevig is aan een limiet onder meer wanneer het gaat om ‘elektriciteits-intensieve ondernemingen in de fabricagesector’ (“tweede groep begunstigden“). De gedachte achter deze limiet is het beperken van de energiekosten van deze ondernemingen om hun internationale concurrentiepositie te verbeteren.

De EC bepaalde in 2014 dat de steun aan de eerste groep begunstigden kwalificeert als met de interne markt verenigbare staatssteun. De EC bepaalde evenwel dat de staatssteun aan de tweede groep begunstigden slechts gedeeltelijk verenigbaar met de interne markt is. Het andere, niet met de interne markt verenigbare, deel van de steun moet daarom teruggevorderd worden door Duitsland. Duitsland ging in beroep tegen deze beslissing en stelde zich op het standpunt dat de hele regeling van de EEG 2012 niet als staatssteun kwalificeert.

Het GvEU wijst het beroep af. Ten eerste oordeelt het GvEU dat het met de EEG-heffing verzamelde geld als overheidsmiddelen kwalificeert omdat de Staat dominante invloed heeft op de wijze waarop de netwerkbeheerders het incasseren en beheren. In de vergelijkbare PreussenElektra zaak werd het geld daarentegen direct van private partijen naar de producenten van duurzame energie overgeheveld zonder de betrokkenheid van een derde waarop een overheid invloed uitoefent waardoor van staatssteun geen sprake was. Daarnaast verwerpt het GvEU het argument dat de tweede groep begunstigden geen voordeel verkregen heeft maar slechts werd gecompenseerd voor een nadeel omdat energieprijzen lager liggen in andere Lidstaten. Het GvEU wijst erop dat pogingen om de verschillen in economische omstandigheden tussen Lidstaten te mitigeren een maatregel niet van zijn staatssteunkarakter ontdoen.

Kort en goed illustreert deze uitspraak (i) dat het wegnemen van concurrentienadelen ten opzichte van in het buitenland gevestigde ondernemingen geen reden is om een maatregel niet als staatssteun aan te merken en (ii) dat de manier waarop een regeling vorm is gegeven belangrijk is. In het bijzonder worden regelingen die geld onder gezag van de Staat brengen over het algemeen aangemerkt als staatssteun.