Het wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht bestaat uit drie pijlers, te weten (i) fraudebestrijding; (ii) versterking van het reorganiserend vermogen van bedrijven; en (iii) modernisering van het faillissementsrecht. Het op 4 juni 2015 bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel Wet continuïteit ondernemingen I valt onder de tweede pijler en is erop gericht onnodige faillissementen zoveel mogelijk te voorkomen.

Doel van de regeling is het formaliseren van de mogelijkheid tot het aanwijzen van een beoogd curator om de afwikkeling van faillissementen te faciliteren en de doorstart van levensvatbare bedrijfsonderdelen na faillissement te bespoedigen zodat waarde en werkgelegenheid behouden kunnen blijven (de zogenaamde pre-pack). De regeling sluit aan bij een praktijk die zich in de afgelopen jaren bij een aantal rechtbanken heeft ontwikkeld. Het beoogt die praktijk een juridisch kader te bieden bestaande uit procedurevoorschriften en regels over de taken en bevoegdheden van de betrokkenen. 

Het wetsvoorstel bevat echter ook een aantal maatregelen gericht op de bestrijding van faillissementsfraude en misbruik van het faillissementsrecht. Wanneer tijdens de pre-pack of tijdens een daarop volgend faillissement blijkt dat een bestuurder of feitelijk leidinggevende een verzoek tot aanwijzing van een beoogd curator heeft ingediend op grond van onjuiste informatie, heeft hij zijn taak onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (artikel 2:138/248 BW). Uit de toelichting blijkt dat het moet gaan om het oneigenlijk gebruiken of hebben willen gebruiken van de pre-pack. Hiermee wordt het voor een curator gemakkelijker om een bestuurder of feitelijk leidinggevende aansprakelijk te stellen voor de daaruit voortvloeiende schade. Ook kan de beoogd curator in dat geval de rechter verzoeken om aan de desbetreffende personen een civielrechtelijk bestuursverbod op te leggen. 

Voor het vennootschapsrecht is verder nog van belang dat met betrekking tot een verzoek tot aanwijzing van een beoogd curator wordt voorgesteld i) om artikel 2:107a BW bij een N.V. en alle overige regelingen ten aanzien van de besluitvorming door de algemene vergadering buiten toepassing te laten; en ii) om de raad van commissarissen een goedkeuringsrecht te geven.