Hoge Raad 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2516

In dit arrest van de Hoge Raad staat de sanctie van artikel 21 Wetboek van Koophandel (WvK) centraal. Op grond van artikel 20 WvK is het een commanditaire vennoot verboden om beheersdaden te verrichten. De sanctie op overtreding van dit verbod is vastgelegd in artikel 21 WvK. De commanditaire vennoot is in geval van overtreding van dit verbod hoofdelijk verbonden voor alle schulden en verbintenissen van de commanditaire vennootschap.

In zijn arrest van 29 mei 2015 (ECLI:NL:2015:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat de sanctie uit artikel 21 WvK niet in een onevenredige verhouding mag staan tot de aard en ernst van de schending van artikel 20 WvK door de commanditaire vennoot. De sanctie dient achterwege te blijven indien en voor zover zij door het handelen van de commanditaire vennoot niet of niet ten volle wordt gerechtvaardigd. Daarbij kan volgens de Hoge Raad mede van belang zijn of bij derden redelijkerwijs een onjuiste indruk over de hoedanigheid van de commanditaire vennoot heeft kunnen ontstaan. In zoverre kwam de Hoge Raad terug van zijn arrest van 15 januari 1943, NJ 1943/201 (Walvius) waarin is beslist dat niet van belang is of een wederpartij van de commanditaire vennootschap van de commanditaire hoedanigheid van de desbetreffende vennoot op de hoogte was of behoorde te zijn.

Het onderhavige arrest van 4 november 2016 betreft een beslissing in cassatie ingesteld tegen een arrest van gerechtshof Amsterdam van 27 januari 2015. Het gerechtshof kon op dat moment nog geen rekening houden met het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2015. Volgens de Hoge Raad betoogt het cassatiemiddel in het licht van het arrest van 29 mei 2015 terecht dat bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre plaats is voor de sanctie van artikel 21 WvK, mede van belang kan zijn of de wederpartij van de hoedanigheid van de commanditaire vennoot op de hoogte was of behoorde te zijn, en dat steeds van belang is of de commanditaire vennoot tegen wie de sanctie van art. 21 WvK wordt ingeroepen, ter zake van zijn handelen een verwijt valt te maken. De klacht slaagt dus.

De Hoge Raad formuleert daarnaast een regel van bewijslastverdeling in geval een persoon zowel een beherend als een commanditair vennoot kan vertegenwoordigen, bijvoorbeeld in een geval waarin een persoon bestuurder is van zowel de beherend vennoot als de commanditair vennoot. De Hoge Raad stelt voorop dat het enkele bestaan van een dergelijke personele unie tussen de (middellijk) bestuurder of bestuurders van een of meer commanditaire vennoten en de (middellijk) bestuurder of bestuurders van een of meer beherend vennoten niet kan leiden tot toepassing van de sanctie van artikel 21 WvK.

Volgens de Hoge Raad kan deze omstandigheid wel van belang zijn bij het beantwoorden van de vraag of bij een wederpartij redelijkerwijs een onjuiste indruk heeft kunnen ontstaan over de hoedanigheid waarin de commanditaire vennoot aan het handelsverkeer deelnam. Daarbij geldt volgens de Hoge Raad dat, behoudens tegenbewijs, een persoon die zowel een beherend als een commanditair vennoot kan vertegenwoordigen, bij het verrichten van een beheershandeling heeft gehandeld namens de beherend vennoot.